Ten tijde van het magnifieke debuutalbum Is This It werd de band The Strokes uitgeroepen tot de redder van de rock-'n'-roll, maar ruim een decennium later blijkt de rock-'n'-roll zich ook zonder The Strokes prima te redden.

Zoals bij wel meer bands aan het begin van deze eeuw (waaronder Arctic Monkeys, Interpol, Bloc Party en Arcade Fire) waren de verwachtingen na de goed ontvangen debuutalbums zo hoog dat elke plaat erna toch wat tegenviel. Met het vierde album Angles uit 2011 leek The Strokes zelfs definitief de weg kwijt.

Opvolger Comedown Machine is wederom niet waar de criticasters en de fans van het eerste uur op hoopten, maar op dit vijfde album is The Strokes in elk geval niet langer de begeleidingsband van Julian Casablancas. Bij de opnames van het vorige album koos hij ervoor zijn partijen in een andere studio in te spelen dan zijn collega's.

Zijn voorliefde voor postpunk en synthpop uit het begin van de jaren 80 is niet te ontkennen op Comedown Machine, te beginnen met het openingsnummer Tap Out, dat memoreert aan de discoachtige nummers van Blondie. One Way Trigger klinkt als een opgefokt liedje van A-Ha en Welcome To Japan lijkt wat op Talking Heads.

Gitaren

De gitaren zijn niet in alle nummers even prominent aanwezig, geheel in lijn met Angles, maar Nick Valensi en Albert Hammond, Jr. mogen zich uitleven op All The Time, Partner In Crime, 50/50 en Slow AnimalsThe Strokes vermengt synthpop met hardrock bij Happy Ending, dat net niet puntig genoeg is om echt te overrompelen.

Dat is het algehele manco van dit album, onder meer omdat The Strokes op een aantal momenten het tempo uit de plaat haalt met trage nummers als 80s Comedown Machine en Call It Fate, Call It Karma. Producer Gus Oberg slaagt er wederom niet in het beste uit de band te halen, maar er is nog hoop voor The Strokes.