De ontwerper van de hoes van het eerste nieuwe album van David Bowie in tien jaar tijd heeft zich er met een jantje-van-leiden van afgemaakt. Maar heeft Bowie dat zelf ook gedaan op deze comebackplaat?

Je hoeft geen grote kenner van David Bowie te zijn om achter het witte vlak op de voorkant van The Next Day de iconische hoesfoto van het album "Heroes" uit 1977 te herkennen. Dat tweede deel uit de zogenaamde Berlijn-trilogie van Bowie wordt als een meesterwerk beschouwd en die verwijzing schept hoge verwachtingen.

Onder meer omdat producer Tony Visconti wederom plaats neemt achter de knoppen. Hij produceerde diverse Bowie-albums, waaronder Space Oddity (1969) en Young Americans (1975), alsmede de Berlijn-trilogie en Bowie’s laatste twee platen, Heathen en Reality. Stilistisch gezien grijpt Bowie amper terug op Low en "Heroes".

Want dat is niet iets dat Bowie eigen is, terugkijken en iets doen wat hij al eerder heeft gedaan. Maar op 66-jarige leeftijd en met een oeuvre als het zijne, zou dat geen schande zijn. Het hoge niveau waarop gehoopt wordt, wordt nergens geëvenaard. Toch komt Bowie die hoge verwachtingen wel deels tegemoet.

Schimmen

Met veertien tracks (en zeventien op de deluxe-versie) is maar ongeveer de helft echt sterk te noemen, al komt Bowie wel met uitstekende liedjes als How Does The Grass Grow?, I’d Rather Be High en Valentine’s Day voor de dag, waarin schimmen van zijn vroegere werk duidelijk maar net niet te opzichtig doorklinken.

Slechts en paar nummers (If You Can See Me, Dancing Out In Space) voelen overbodig aan, al valt The Next Day als geheel beslist niet tegen. Bowie heeft zijn experimenteerdrift niet definitief opgegeven, hooguit gematigd. De plaat ligt in lijn met de twee voorgangers. Het heeft lang geduurd, maar Bowie stelt niet teleur.