29 jaar zijn er inmiddels gepasseerd sinds het debuut van Claw Boys Claw. Muzikaal de hoogtijdagen van de punk, no wave en garagerock, pijlers waarop ook het geluid van de Amsterdamse formatie sindsdien steunt.

Peter te Bos, al die jaren centraal staat als onwillige frontman, heeft zich echter meer en meer ontwikkeld als crooner. Al op het comebackalbum uit 2008, Pajama Day, zong Te Bos met meer verleiding dan met opgekropte woede, iets wat zich vijf jaar later doorzet in zwoele, maar broeierige temptatie.

Niet dat Claw Boys Claw niet langer kan spugen. Garagepunk nummers als Sucha en My Beautiful Carpet bewijzen duidelijk het tegendeel op Hammer. Maar in 600 Monkeys toont de frontman zich meer een chansonnier, het klein leed bezingend van de hang naar verslaving.

De Amsterdamse band doe hier dan ook enigszins denken aan de Brusselse Arno, die op dezelfde wijze een zekere punkattitude met zijn eigen muzikale erfenis vermengt. Vooral ook in Picasso lijkt die lijn terug te komen; punkcrooners, spugend en verleidelijk tegelijkertijd. Claw Boys Claw trekt het echter breder.

Dreigend

De band zoekt ook inspiratie in de galmende gitaren van de americana in Monkey One om te komen tot de eigen onheilspellende Europeana. Traag en dreigend, terwijl Te Bos daar verslavend overheen kreunt. Alsof de heren van Calexico of Giant Sand bij de oude Nederlandse punkhelden in de studio zijn aangeschoven.

Uiteraard is Claw Boys Claw al lang niet meer de formatie die het mid-jaren tachtig was, maar de kern bestaande uit Te Bos en gitarist John Cameron, houdt het hart dertig jaar na oprichting nog steeds volop kloppend met een eigengereid en eigentijds resultaat waarmee de band nog steeds internationaal de markt op kan.