Cosmogramma was de plaat waarmee Steve Ellison in 2010 de grenzen van de experimentele hiphop en triphop opzocht. Een baanbrekend album dat voortbouwt op de erfenis van DJ Shadow, DJ Krush en andere pioniers.

Op Until The Quiet Comes neemt Flying Lotus echter een klein stapje terug. Niet langer begeeft de Amerikaan zich op onbegaan en onontgonnen terrein, maar op zijn vierde album richt hij zich op de verfijning van de blauwdruk die hij tekende met Cosmogramma.

Een terrein waarbij hij meer terugvalt op de combinatie van jazz en hiphop. Dit weliswaar met iets vollere bassen en een vrijere beweging in de beats en hier en daar een flard uit Afrika in het geluid. Zo brengen de gitaren in Tiny Tortures de gedachten al snel richting de zuidelijke regionen van de Sahara.

Warm, vol en gelaagd, maar vooral ook een stuk ingetogener dan Cosmogramma – die af en toe klonk als een imploderende spelcomputer – wisselen verschillende flarden jazz elkaar af of vallen samen. Het is alsof wij als luisteraar in een druilerige onder belichte steeg staan waarin verschillende jazzclubs liggen.

Weggemoffeld

Om beurten waaien de deuren open en vliegt het geluid dominant door de boxen, maar steeds op de achtergrond nog een verontrustende tegenstroom weggemoffeld door de nog gesloten deuren. Daarom duurt het bij Until The Quiet Comes langer om een vergelijkbare indruk te maken dan de voorganger.

Pas na paar keer draaien valt de vrije, associatieve jazz, zoals in See Thru To U met Erykah Badu. En ook Electric Candyman met Thom Yorke heeft de nodige tijd nodig om alle lagen bloot te leggen. Niet zo baanbrekend dus als Cosmogramma, maar daarmee eigenlijk niet veel minder indrukwekkend, mits je het de tijd geeft.