Een sensuele dans tussen Tom Waits, een gipsyjazzorkest met Captain Beefheart op de achtergrond, doorweeft met kleine bleeps, blops en andere samples. Dat is Horseplay, het debuut van Lazarus and The Plane Crash, in één zin.

De plaat valt in eerste instantie al op door de vormgeving. Een grote rechthoek die wanneer je deze helemaal openvouwt een antiek ouijabord wordt. Al snel heeft de eigen fantasie daar een slangenvrouw, dwerg, krom gegroeide reus en bebaarde vrouw bij bedacht; het beeld van een rondreizend rariteitencircus in de jaren dertig.

Een beeld dat door de muziek vervolgens wordt bevestigd. Op ingenieuze wijze patchen de Britten blues, jazz en balkanmuziek aan elkaar alsof het altijd zo heeft moeten zijn. Absurde dronkemansballades waar de rauwe zanger haast over de eigen tong lijkt te struikelen, net zoals trompet, saxofoon en gitaar steeds in strijd om de voorste rijen met elkaar zijn.

Lazarus and The Plane Crash – hoe kan het ook anders met zo’n naam – houdt van het onverwachte, houdt van de gekte. Het gooit krijsende bluesharpen over stompende blues met een zanger die als een herboren Screamin’ Jay Hawkins daar zijn longen overheen legt.

Dixieland

Daar kunnen dan best dixieland klarinetsamples doorheen worden gegooid en een zingende zaag aan toegevoegd. Uit een theremin worden de meest verrassende geluiden getoverd en in de mix gezet met een kinderkoor dat klinkt als een horde op hol geslagen Chipmunks; geen pad is te gek.

En geen geluid is te weinig. Klinkt op het eerste gehoor Horseplay vooral als een groot feest om een nare dag weg te spoelen (of de crisis), wanneer men de oren spitst vallen de kleinste details in dat totaal op. Van vreemde piepjes tot een echoënd klokkenspel of het idee van een neerstortende gitaar. Een rariteitencircus, ja, met precies dezelfde aantrekkingskracht als het circus op het kind heeft.