Tekstueel is Will Oldham weer in topvorm. Onnavolgbaar en voor meerdere invulling vatbaar zingt hij “as boys we used to fuck each other, as men we lie and smile” of laat hij zingen “fuck birds in the bushes, let’s take’m in the hand” door Angel Olsen.

Op de negende langspeler onder de naam Bonnie ‘Prince’ Billy met enkel nieuw werk gaat de liedjesmachine terug naar de kern. Kleine liedjes, zonder al te veel aankleding bouwend op de Amerikaanse folk- en countrytraditie, zoals vast gelegd in Anthology Of American Folk Music.

Ware het niet dat de productie veel schoner is dan deze vooroorlogse opnames en hier en daar een elektrische gitaar passeert, zou Wolfroy Goes To Town zo in dit muzikale archief kunnen worden opgenomen. Wat dat betreft is Oldham ver gegroeid van zijn debuut There is No One What Will Take Care Of You uit 1993.

Van de ruisende en galmende lo-fifolk van een geniale, maar krassende, kraai is hij verworden tot een man met een ontwikkelde zangstem, opvallend toonvast. En een man die de schoonheid van een heldere productie apprecieert.

Mystiek

Wat echter is gebleven, toen en nu de kern, zijn de wendingen, dubbele bodems en de woordspielerei in zijn teksten. Vaak donker, vaak gericht tot God (in vrouwelijke en mannelijke vorm) gehuld in Oldhams eigen mystiek en met ongelukkige afloop.

Wat dit album vooral bijzonder maakt, zijn de bijrijders. De hemelse combinatie met Angel Olsen, die ook wanneer zij de hoofdrol overneemt magie heeft. Of het gitaarwerk van Emmett Kelly die precies daar de toon legt waar deze moet vallen. Van wezenlijk belang in het sobere plaatje dat Oldham hier schildert, zijn beste werk sinds Master And Everyone.
 

 

Bonnie ‘Prince’ Billy staat 23 januari in Tivoli, Utrecht.