Als je liedjes kunt schrijven, maakt het niet uit welke jas je ze aan trekt. Maak er metal van of balkan, een kloppend liedje klopt. Zach Condon lijkt zich dat ten volle te beseffen en wisselt Beirut elke plaat van kledij, zo ook op The Rip Tide.

Verwacht op de derde van Beirut dan ook geen negentien koppen tellend koperorkest, maar juist relatief uitgekleden arrangementen. Condon zoekt in Goshen zelfs de eenzaamheid op achter de piano, kaal en kwetsbaar. Pas halverwege zwellen Mexicaanse trompetten aan die al snel steun vinden een Balkan dodenmars.

Maar steeds ingetogen en beperkt tot het minimum. En juist die minimale inzet van het koper zorgt ervoor dat de blazers centraal staan op The Rip Tide. Het moment dat de blazers er inkomen, vouwen de nummers zich open, lijkt Beirut bijna te gaan zweven.

Zwevend door het brede landschap waar de band het geluid uit haalt. Hoewel Condon de inspiratie op The Rip Tide dichterbij huis lijkt te zoeken, met motiefjes die verwijzen naar de Amerikaanse folktraditie en ook naar de pop.

Intiem

Meer dan op Gulag Orkestar en op The Flying Club Cup keert Condon tot zichzelf en zijn eigen achtergrond. Muzikaal en persoonlijk, wat samen met de minieme arrangementen de plaat warm intiem maakt. Warm, intiem en miniem, maar desondanks geen enorme wijzigingen.

De nadruk op The Rip Tide ligt meer op de liedjes, minder op de ongebreidelde arrangementen die Beirut soms dreigden te verzuipen. Maar hier staat Beirut in het hemd en bewijst dan even goed een mooi lichaam te hebben. Bewijzend dat het om het liedje gaat, niet om de jas.