Het derde studioalbum van de band rond kleine frontman Barrie Cadogan paart retrospectief getinte rock aan een passend rauwe productie. Zijn woeste gitaarwerk tilt het album uit boven de grauwe middelmaat, maar zou hier en daar wel wat meer de ruimte mogen krijgen.

De foto’s van het bandhok op de voorkant van het album en de authentieke ‘telefoonsnoer’ gitaarkabel die op de andere zijde is afgebeeld, geven al een goede indruk waar dit trio voor staat: ouderwetse, zweterige rock-‘n’-roll uit de tijd voor autotune, clicktracks en wat dies meer zij.

Startend met het naar The Cramps neigende Surf Hell schotelt zanger/gitarist Cadogan ons gesteund door basplukker Lewis Wharton en trommelaar Virgil Howe (zoon van Yes-gitarist Steve Howe) een elftal compacte ruwe rockers voor.

Daarin spreekt hij ons toe met een fijn, behoorlijk jong en hoog klinkend stemgeluid, maar het is toch vooral zijn gitaar die de degelijke, maar op zich niet uitzonderlijke liedjes kleur verschaft. Kleine Barrie weet namelijk heel wat boeiende, veelal stevig vervormde klanken aan zijn instrument te ontlokken.

Smaakbesef

Helaas blijkt onze Londenaar niet immuun voor die typisch Engelse ziekte, dat smaakbesef dat voorschrijft nooit te ver uit de bocht te vliegen en solo’s daarom af te kappen voor ze echt goed van de grond komen.

Het resulteert in een stijlvolle en hippe, maar (ondanks de ongepolijste productie) ook lichtelijk koel en gereserveerd klinkende plaat, die echter zeker in de smaak zal vallen bij een beschaafd publiek dat geen behoefte heeft aan rockexcessen.