In een muzieklandschap vol revivalbands, is het een dubbel zware taak op te vallen. Ten eerste moet je je sterk onderscheiden van de andere revivalbands. Ten tweede moet je iets wezenlijks toevoegen aan het verleden, om te voorkomen dat je als copy-cat door het leven gaat.

Wet Paint lijkt met Woe te slagen in beiden. Natuurlijk, gedurende de negen werken die deze plaat telt kun je minstens zoveel andere bands noemen die terugkomen in het geluid van de Britten. The Breeders, Pixies, Sonic Youth, Dinosaur Jr., Sebadoh en vooral Pavement liggen er het meest bovenop.

De Amerikaanse slacker-indierock van begin jaren negentig. Maar ook – en daar zit de toevoeging – de lijzige, beknellende shoegaze gitaarmuur uit de 4AD-geschiedenis wordt in het geluid gedraaid.

Zo wordt in Distant Memory een typische Kim Deal-baslijn omvergeblazen met My Bloody Valentine gelijkende feedback en ruis. Transatlantische indiepop. Tel daarbij op dat het tweede album van de Londenaren enkel en alleen oorwormen bevat, dan weet je dat het goed zit.

Hersenschors

Pophook na pophook bijt zich vast in je hersenschors mede dankzij de lijzige stem van Babak Ganjei. Een stem die – het moet gezegd – erg doet denken aan Malkmus. Ongeïnteresseerd, op en over het randje vals. Het bewijs dat schoonheid juist in de rimpels rond de ogen zit, niet in de glad getrokken huid.

De puurheid knalt van Woe. Alles wat ooit zo mooi was aan indiepop samengebracht op een album. Heel even wordt de klok vijftien tot twintig jaar teruggezet, maar raak en oprecht. Zo oprecht dat je de plaat meteen weer opzet.