Sinds het grote succes van Fleet Foxes lijkt de honger van het grote publiek, en daarmee de honger van de platenmaatschappijen, naar folkachtige indiepop haast onstilbaar.

Na allemansvrienden Mumford and Sons is er nu het Australische The Middle East, indiepop met, verassend genoeg, closeharmonyzang en banjo's.

Meteen de eerste song van het tweede album I Want That You Are Always Happy klinkt dan ook als een outtake van een Fleet Foxes-album. De stem van Jordan Ireland, die deze song de leadzang op zich neemt, klinkt haast identiek aan die van Robin Pecknold. Zo erg zelfs dat het haast geen toeval kan zijn.

Maar The Middle East kan en doet meer dan alleen Fleet Foxes-pastiche. Ook Ennio Morricone moet er aan geloven op het fantastische Mount Morgan en voorbeelden als Gram Parsons en Ryan Adams passeren de revue op songs als Months en Deep Water.

En daar zit het probleem van The Middle East, de band maakt geen duidelijke keuze op zijn debuutalbum. Ook het feit dat de leadzang afwisselend verzorgd wordt door zowel Ireland als zijn collega Rohin Jones, die bovendien beiden haast per song in een andere stijl of register zingen, draagt bij aan het feit dat de band geen duidelijke identiteit creëert.

Geloofwaardig

Dat alles gezegd is de veelvuldigheid aan stijlen op het album zeer indrukwekkend. Alles wordt bovendien meer dan geloofwaardig uitgevoerd. Het album is met een speeltijd van meer dan een uur wel wat aan de lange kant. De liedjes zijn allemaal de moeite waard maar een meer conventionele drie kwartier was genoeg geweest en had het album compacter en directer gemaakt.

I Want That You Are Always Happy is desalniettemin een album vol prachtige songs dat eigenlijk meer klinkt als een verzamelalbum dan als een losse plaat. Ondanks het feit dat de band haar invloeden wel erg duidelijk tentoonspreid, meer dan de moeite waard.