Met Gold In The Shadow zegt William Fitzsimmons zijn meest hoopvolle plaat tot op heden te gemaakt. Na Goodnight en The Sparrow And The Crow – twee albums over scheiding en de relatie tot zijn vader – blikt de folkpsycholoog nu vooruit.

Nu is hoopvol een zeer relatief begrip. Zeker als we de teksten van Fitzsimmons erbij nemen. Het herhaaldelijke verzoek “Cut me open please” in Psychastenia, of “I get the sense that we’re all chasing after the same simple thing that I don’t understand” in Tied To Me, geven een vreemde kijk op hoop.

Toch is hier sprake van een positievere kijk. In de teksten, maar ook zeker in het geluid. De introductie van de steeldrum, accordeon en strijkers brengen licht in de anders zo donkere elektrofolk van de zalvend zing-mompelende psycho-analist.

Niet veranderd is de aandacht voor detail. Opgegroeid als kind van blinde ouders was muziek een belangrijk communicatie middel in het gezin. Hierdoor heeft Fitzsimmons een verfijnd gevoel voor het kleine geluid.

Klein

Bliepjes en blopjes ver in de achtergrond verstopt, de plotselinge xylofoon om een akkoord te complimenteren, verfijnd gekraak in de verte. Details vaak alleen met de koptelefoon op te pikken, maar die Fitzsimmons ook op zijn vierde album weer boven het zoetsappige uittillen.

Gold In The Shadow, verwijzend naar dat er enkel lelijks in de schaduw te vinden is, is ook werkelijk dat. Een sprankje hoop, schoonheid op die plekken waar de zon niet komt. Boeiend vanaf The Tide Pulls From The Moon, waar de plaat wonderlijk mee opent.