Onder de naam Blackfield levert Steven Wilson (het meest bekend van Porcupine Tree) wederom een kwalitatief hoogstaand album af. De samenwerking met Israëlisch popartiest Aviv Geffen zorgt wel voor een simpeler, compacter geluid dan gebruikelijk bij werkjes van de Engelsman.

Deze derde Blackfield-plaat (eerdere Wilson & Geffen-albums dateren uit 2005 en 2007) wordt weliswaar door de distributeur geclassificeerd als progressieve rock, maar daarbij hoef je in dit geval niet aan barokke liedstructuren en uitgebreide instrumentale exercities te denken.

Eerder refereert de schijf aan het latere werk van Pink Floyd en The Beatles, met korte nummers – de tien liedjes nemen bij elkaar genomen nog geen veertig minuten in beslag – die de voor Wilson kenmerkende peinzende en melancholieke sfeer ademen.

Geffen zorgt er op zijn beurt voor dat de stukken erg transparant en toegankelijk klinken, met naast de gitaar vaak een opvallend prominente rol voor toetsen en strijkers. Bij beluistering krijg je daardoor regelmatig de indruk met een pop-/rockversie van Porcupine Tree te maken te hebben.

Abrupt

Vooral de eerste helft van het album klinkt behoorlijk filmisch, maar met het exotische Blood wordt die sfeer abrupt doorbroken. Vervolgens blijft de muziek een beetje ongemakkelijk op en neer deinen tussen meer ingetogen en expressieve momenten.

Dat is dan ook het voornaamste minpunt van Welcome To My DNA: hoewel de individuele nummers mooi in elkaar steken, vormen ze samen geen bijzonder hecht geheel. Neemt niet weg dat liefhebbers van het werk van Wilson ook deze plaat weer met een gerust hart kunnen aanschaffen.


Blackfield speelt op 10 april in Paradiso in Amsterdam.