De gemiddelde leeftijd waarop werknemers met pensioen gingen, lag vorig jaar op 64 jaar en 10 maanden. Dat is vijf maanden hoger dan in 2016, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) woensdag.

De gemiddelde pensioenleeftijd lag begin deze eeuw nog onder de 61 jaar. Maatregelen om langer doorwerken te stimuleren, wierpen in de jaren daarna hun vruchten af en later kwam daar de stijgende AOW-leeftijd bij.

Vooral na 2006 is het hard gegaan. In dat jaar gingen nog bijna negen op de tien Nederlanders voor hun 65e verjaardag met pensioen, dat zijn er nu nog maar vier op de tien.

Stoppen met werken op de leeftijd van 59 jaar of jonger komt bijna helemaal niet meer voor. Dat was vorig jaar voor 4 procent van de bevolking weggelegd, waar dat tien jaar eerder nog meer dan een kwart was.

Vrouwen

Vrouwen gaan gemiddeld negen maanden eerder met pensioen dan mannen. Hoogopgeleiden stoppen gemiddeld bijna tien maanden eerder dan laagopgeleiden.

Het aantal mensen van boven de 55 jaar dat het loon als voornaamste inkomstenbron heeft, is tussen 2006 en 2017 met bijna 80 procent toegenomen. Het aantal 65-plussers dat nog werkt, is in die periode zelfs verzesvoudigd.

In 2017 lag de AOW-leeftijd op 65 jaar en 9 maanden. Dat stijgt de komende jaren naar 67 jaar en 3 maanden in 2022, waarna de AOW-leeftijd wordt gekoppeld aan de levensverwachting.