Meer vrouwen dan mannen wilden in 2016 beginnen met werken of meer uren werken. Het onbenutte arbeidspotentieel van vrouwen kwam uit op 13,3 procent, bij mannen lag dat op 10,5 procent.

Gemeten in uren (arbeidsvolume) is het onbenut arbeidspotentieel bij beide seksen echter wel gelijk. Gemiddeld zeiden meer vrouwen extra te willen werken, maar het aantal uren dat mannen extra willen werken ligt hoger.

Dat meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) woensdag na een analyse van het onbenut arbeidspotentieel op de Nederlandse arbeidsmarkt.

732.000 voltijdsbanen

Uit de analyse blijkt dat ruim 1,5 miljoen Nederlanders tussen de 15 en 75 jaar in 2016 wilden gaan werken, of meer uren wilden werken. Dat komt neer op 11,9 procent van de bevolking in die leeftijdsgroep.

Als alle uren die deze mensen (extra) willen werken bij elkaar worden opgeteld, gaat het om 732.000 voltijdsequivalenten (vte).

Jongeren

Jongeren van 15 tot 25 jaar die geen regulier onderwijs meer volgen, behoren relatief vaak tot het onbenut arbeidspotentieel. In 2016 ging het om bijna een kwart van hen. In de meeste gevallen gaat het om deeltijdswerkers die meer uren zouden willen werken.

Het onbenut arbeidspotentieel is sinds 2014 wel afgenomen. In dat jaar bedroeg het aantal personen dat (meer) wilde gaan werken bijna 1,8 miljoen. Ook gemeten naar uren is het aantal teruggelopen: van 886.000 in 2014 naar 732.000 in 2016.

In de eerste twee kwartalen van 2017 waren er 1,3 miljoen Nederlanders op zoek naar werk of naar meer werk, berekende het CBS eerder deze maand.. Dat is een afname van 209.000 personen ten opzichte van een jaar eerder.

Ruim 65 procent betaald werk

Van de Nederlanders tussen de 15 en 75 jaar had in 2016 gemiddeld 65,8 procent betaald werk. Mannen werkten gemiddeld 36 uur per week, vrouwen 26 uur. Drie kwart van de werkende vrouwen werkte in deeltijd, tegenover een kwart van de mannen.

Vergeleken met andere EU-lidstaten is de netto arbeidsparticipatie, uitgedrukt in aandeel werkende personen in de bevolking, in Nederland relatief hoog. Alleen Zweden, Duitsland en Estland blijven ons voor. Uitgedrukt in gewerkte uren is de arbeidsparticipatie weer relatief laag.