Nederland mag twee van genocide verdachte Rwandezen niet uitzetten
Rwanda verzocht om de uitlevering om de twee mannen te vervolgen voor hun vermeende deelname aan de genocide in 1994. De uitleveringsrechter stond de uitlevering toe. Minister David van Weel (Justitie en Veiligheid) besloot vervolgens beide personen over te dragen aan het Oost-Afrikaanse land.
De verdachten spanden een kort geding aan. Als politieke tegenstanders van de regering denken ze in Rwanda geen eerlijk proces te krijgen. De uitlevering zou daarmee een reëel risico geven op een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Daarin is het recht op een eerlijk proces vastgelegd.
De kortgedingrechter wees de vorderingen af, waarna de twee Rwandezen in beroep gingen. Het gerechtshof Den Haag wees de vorderingen wel toe. Het hof wees op een reeks feiten, verklaringen en rapporten waaruit dat risico bleek.
De Staat was het daar niet mee eens en stapte naar de Hoge Raad. De Staat stelde dat het hof de uitspraak van de uitleveringsrechter als uitgangspunt moest nemen en niet zelf de feiten en omstandigheden mocht wegen. Maar volgens de Hoge Raad mocht het gerechtshof dat wel.
Genocide begon met moord op president
Bij de Rwandese genocide in 1994 vielen naar schatting 800.000 doden, mogelijk zelfs meer dan een miljoen. De spanningen in het land bereikten een hoogtepunt toen het vliegtuig van president Juvénal Habyarimana was neergehaald.
Hij behoorde tot de Hutu's, de grootste groep in het land. Militairen en milities van de Hutu's begonnen daarna massaal gematigde Hutu's en Tutsi's te doden.

