Israël kan familieleden van terroristen uitzetten door nieuwe omstreden wet
Het Israëlische parlement heeft een wetsvoorstel aangenomen waardoor familieleden van een persoon die door Israël als terrorist wordt gezien voor maximaal twintig jaar uitgezet kunnen worden. Het gaat daarbij om staatsburgers en mensen met een verblijfsvergunning.
De wet geeft de minister van Binnenlandse Zaken de bevoegdheid om eerstegraads familieleden van iemand die schuldig is bevonden aan terrorisme uit te zetten. Eerstegraads familieleden zijn partners, (schoon)ouders, kinderen (inclusief adoptie- en stiefkinderen) en schoondochters en -zonen.
Een familielid mag worden uitgezet als diegene vooraf kennis had over plannen van de schuldige en de zaak niet bij de politie heeft gemeld, of steun heeft uitgesproken voor de terroristische actie.
Het voorstel houdt in dat mensen met een Israëlisch paspoort of verblijfsvergunning dus gedwongen naar Gaza "of een andere bestemming die door de omstandigheden wordt bepaald" kunnen worden gebracht. Burgers met een Israëlisch paspoort behouden hun paspoort wel.
Staatsburgers kunnen voor zeven tot vijftien jaar uitgezet worden. Voor inwoners van Israël met een verblijfsvergunning gaat het om een uitzetting van tien tot twintig jaar.
Inlichtingendienst en juridisch adviseurs hebben bezwaren uitgesproken
De Israëlische inlichtingendienst Shin Bet, het ministerie van Justitie en juridisch adviseurs van het parlement hebben eerder hun bezwaren uitgesproken tegen de wet, schrijven Israëlische media. De wet zou volgens hen te breed zijn.
Zij vinden dat de wet alleen moet gelden voor de ouders van mensen die door Israël als terrorist worden beschouwd en die een dubbel paspoort hebben. Dat advies is door een meerderheid van het parlement in de wind geslagen.
Volgens het wetsvoorstel heeft een verdachte die volgens Israël uitgezet moet worden het recht om zich te verdedigen in een vergadering die door de minister van Binnenlandse Zaken bijeen wordt geroepen. Als daarin wordt bepaald dat de verdachte schuldig is, moet de minister binnen veertien dagen een uitzettingsbevel tekenen.
