Oud-diplomaat Marten de Boer (rechts op de foto) werkte in de provincie Uruzgan mee aan de wederopbouwmissie. Nu de Taliban oprukt in Afghanistan, krijgt hij bezorgde telefoontjes van hulpverleners en bestuurders met wie hij samenwerkte. "Ik vind dat Nederland een morele plicht heeft die mensen te helpen."

Vanuit Uruzgan krijgt De Boer dagelijks zorgelijke berichten, zoals van een directeur van een meisjesschool. Hij noemt haar "een heel dappere vrouw" die meteen in actie kwam als er misstanden waren met leerlingen. "Op de lokale radio sprak ze openlijk over de problemen die speelden en ze deinsde er niet voor terug met een groep vrouwen naar een huis te gaan als ze hoorde over mishandelingen of andere misstanden." De directeur maakt zich grote zorgen, haar toekomst is ongewis. "Ze wil politiek asiel in Nederland."

En zo zijn er volgens De Boer meer die in levensgevaar verkeren nu de Taliban in Afghanistan en ook in Uruzgan snel oprukt. "Het gaat om zo'n 125 tot 250 medewerkers van hulporganisaties waar Nederland mee samenwerkte, maar ook provinciale bestuurders die hun nek hebben uitgestoken. Ze geloven in westerse waarden als vrijheid van meningsuiting en de rechten van vrouwen en kinderen."

Nederland heeft morele verantwoordelijkheid

Deze week heeft hij een memo geschreven voor een voormalige collega van het ministerie van Buitenlandse Zaken die ook in Afghanistan heeft gezeten. "Daarin zet ik op een rijtje welke organisaties en mensen in gevaar komen onder Taliban-bestuur en wat het belang van die organisaties voor de missie is geweest." De memo is volgens hem verspreid op het ministerie.

Het zit De Boer dwars dat het kabinet pas zo laat in actie is gekomen. Op dit moment is na herhaald aandringen van de Tweede Kamer een deel van de tolken die het leger bijstonden met hun gezinnen naar Nederland overgebracht. "Toen president Joe Biden in april aankondigde dat de Verenigde Staten zich zouden gaan terugtrekken uit Afghanistan, had Nederland in actie moeten komen en niet pas nu het allemaal uit de hand loopt. Mijn collega's bij het ministerie wilden wel, maar de politiek heeft dit niet opgepakt. We hebben een morele verantwoordelijkheid om mensen die echt gevaar lopen, te helpen en op te vangen."

De Boer verbleef een jaar in Kamp Holland

De Boer werkte in totaal vijf jaar in Afghanistan, waarvan één jaar in Kamp Holland, het toenmalige militaire legerkamp in Uruzgan. Daar was hij vanaf augustus 2006 verantwoordelijk voor ontwikkelingsprojecten die in de provincie werden opgezet. In totaal besteedde hij 187 miljoen euro aan een hele reeks van projecten en hij werkte met veertig hulporganisaties samen.

Volgens De Boer heeft Nederland in Uruzgan tussen 2006 en 2010 veel voor elkaar gekregen. Toen de troepen arriveerden, ging minder dan 1 procent van de meisjes en 7 procent van de jongens naar school. Bij hun vertrek was dat 25 procent. Ook als het gaat om gezondheidszorg werden volgens hem grote stappen gezet. "Als we waren gebleven, hadden we meer stabiliteit kunnen brengen in de politiek en hadden we meer stammen met elkaar kunnen verzoenen", zei hij in 2016 in Vrij Nederland.

Oud-diplomaat bang voor voortzetting onderwijs

Vorig jaar oktober keerde hij op uitnodiging van de Volkskrant terug in Uruzgan. De provincie was op dat moment al voor 90 procent in handen van stammen die de regering in Kaboel en de lokale vertegenwoordiging vijandig gezind zijn en die worden aangeduid als de Taliban. De meeste meisjesscholen waren toen al gesloten, maar andere ontwikkelingsprojecten zoals klinieken functioneerden nog wel en ook aangelegde wegen waren nog begaanbaar.

De Boer denkt dat als de Taliban Uruzgan volledig overneemt, bepaalde projecten die door de Nederland en andere westerse landen zijn gestart, gewoon door zullen gaan, vooral als het gaat om gezondheidszorg, infrastructuur en economische activiteiten. Maar: "Ik ben bang als het gaat om de voortzetting van scholen en hoger onderwijs."