De Zweedse minderheidsregering van premier Stefan Löfven is gevallen na een ruzie met een gedoogpartij over huurtarieven. Een motie van wantrouwen van de oppositie is zoals verwacht maandag aangenomen.

De sociaaldemocraat Löfven heeft nu een week de tijd om met zijn regeringsploeg af te treden. De parlementsvoorzitter kan dan nog proberen de grootste partijen te bewegen een andere coalitie te vormen. Als Löfven niet aftreedt, moeten er nieuwe verkiezingen worden gehouden.

Een rechtse oppositiepartij heeft de motie ingediend. Aanleiding zijn plannen van Löfvens partij om huisbazen toe te staan markttarieven te laten vragen voor nieuwe huurappartementen.

De linkse oppositie, die eerder gedoogsteun gaf aan de regering, is woedend omdat de regering huurders zou laten vallen. De centrumrechtse partijen zijn niet tegen deregulering, maar zien de 63-jarige premier graag vertrekken. De rechts-populistische partij Zweden Democraten zag vorige week in de onenigheid een uitgelezen kans en diende de motie van wantrouwen in.

Löfven leidt het Scandinavische land sinds 2014. De afgelopen 2,5 jaar regeerde hij met de Groenen en kreeg hij gedoogsteun van de Centrumpartij en de Liberalen. Maar hij had ook de steun van een linkse partij nodig. De broze coalitie is nu ingestort.

Löfven is de eerste Zweedse premier die een motie van wantrouwen niet overleeft. Als er geen pogingen meer worden ondernomen een alternatief voor de regering-Löfven te vinden, gaat Zweden naar verwachting binnen drie maanden naar de stembus.