Bij luchtaanvallen op ziekenhuizen en vluchtelingenkampen in Noordwest-Syrië zijn honderden burgerdoden gevallen, melden de Verenigde Naties dinsdag. Hulporganisaties kunnen de humanitaire crisis amper aan.

Sinds 1 januari zijn ongeveer driehonderd mensen omgekomen door luchtaanvallen van de Syrische regering in de provincie Idlib, het laatste grote rebellenbolwerk van het land. Sinds 2011 wordt het land verscheurd door een bloedige burgeroorlog.

Momenteel rukken de troepen van de Syrische president Bashar Al Assad met rasse schreden op in Idlib, waar ze vechten tegen onder anderen door Turkije gesteunde rebellen en jihadistische milities. De Syrische regering krijgt hierbij hulp van de Russische luchtmacht.

Hulporganisaties zijn overweldigd door de immensiteit van de humanitaire crisis die in het gebied is ontstaan, zeggen VN-medewerkers. Zo'n 900.000 burgers ontvluchtten het geweld in Idlib en trekken nu richting de Turkse grens, waar ze een bitterkoude winter te wachten staat.

Bombardementen gaan door

Aan de Turkse grens is steeds minder plek voor vluchtelingen, er is een gebrek aan veilige havens om te schuilen "en toch worden ze gebombardeerd", zegt de VN-mensenrechtenchef Michelle Bachelet dinsdag in een statement.

Ondertussen bombarderen Russische en Syrische gevechtsvliegtuigen dinsdag de stad Darat Izza in de provincie Aleppo. Eén dag geleden raakten daar nog twee ziekenhuizen zwaar beschadigd.

VN: Mogelijk sprake van oorlogsmisdaden

Op de vraag of Rusland en Syrië met opzet burgers en beschermde gebouwen bombarderen, reageert een woordvoerder van de VN-mensenrechtenorganisatie: "Alleen al de enorme hoeveelheid aanvallen op ziekenhuizen, medische faciliteiten en scholen lijkt te suggereren dat het niet allemaal per ongeluk gebeurt."

Mogelijk kunnen de aanvallen als oorlogsmisdaden worden bestempeld, zei hij tijdens een persconferentie in het Zwitserse Genève.