De Oostenrijkse bondskanselier Sebastian Kurz is maandag na een motie van wantrouwen gedwongen zijn functie neer te leggen. Zijn positie was niet langer houdbaar wegens de nasleep van het zogeheten 'Ibizaschandaal'.

De coalitie van de ÖVP en FPÖ werd door Kurz ontbonden, nadat FPÖ-leider en vicekanselier Heinz-Christian Strache in opspraak was geraakt.

Strache werd in 2017 op het Spaanse eiland Ibiza stiekem gefilmd tijdens een ontmoeting met een vrouw die zich voordeed als de nicht van een Russische oligarch. De FPÖ-politicus leek haar politieke gunsten te beloven in ruil voor steun.

Strache ontkent alle aantijgingen, maar werd gedwongen op te stappen. Hoewel Kurz aanvoerde een slachtoffer te zijn van het 'Ibizaschandaal', heeft het hem ook de kop gekost. Zo wordt hem verweten dat hij überhaupt een coalitie heeft gevormd met de FPÖ.

Kurz won Europese verkiezingen

Het was de verwachting dat Kurz de stemming politiek gezien niet zou overleven, gezien de twee grootste oppositiepartijen van het land (SPÖ en FPÖ) eerder al hadden gemeld de motie van wantrouwen te zullen steunen. Samen hadden zij meer dan 100 zetels in het Oostenrijkse parlement, dat er 183 telt.

De motie van wantrouwen komt voor Kurz op een pijnlijk moment, omdat de partij juist net de grootste Europese overwinning uit de geschiedenis van ÖVP had behaald. De partij kreeg 35,4 procent van de stemmen, wat 8,4 procentpunt meer is dan in 2014.

Het is aan president Alexander Van der Bellen om een nieuwe bondskanselier te nomineren om een overgangsregering te leiden.