De Soedanese president Omar Al Bashir kwam ruim dertig jaar geleden aan de macht door een staatsgreep en werd donderdag afgezet door zijn eigen leger. Zijn regime stond vooral in het teken van oorlog en mensenrechtenschendingen.

Beschuldigingen tegen Bashir

  • Genocide: op drie 'niet-Arabische' bevolkingsgroepen
  • Misdaden tegen de menselijkheid: zoals marteling, verkrachting en moord
  • Oorlogsmisdaden: plunderen van dorpen en aanvallen op burgers in Darfur

Al Bashir werd geboren in het noorden van Soedan. Hij behoort tot een Arabische bedoeïenenstam en maakte sinds het begin van de jaren zestig carrière bij de paratroepers in het Soedanese leger. Al Bashir vocht mee aan de kant van Egypte in de Jom Kipoeroorlog met Israël in 1973.

Al Bashir stond in 1983 aan het hoofd van de groep legerofficieren die de onstabiele coalitieregering van premier Sadiq Al Mahdi omverwierp. Soedan verkeerde op dat moment al bijna dertig jaar in een burgeroorlog. Het islamitische regime in het noorden vocht tegen verschillende animistische (natuurgodsdienstige) en christelijke rebellengroepen uit het olierijke zuiden. Al Bashir consolideerde zijn macht in de jaren die volgden en groeide uit tot een nietsontziende dictator.

Osama Bin Laden

Al Bashir bood in de jaren negentig onderdak aan de Saoedische terrorist Osama Bin Laden, nadat de Saoediër door de regering van Saoedi-Arabië onder huisarrest was geplaatst. Bin Laden was toen al een van de meest gezochte terroristen ter wereld en een aartsvijand van de VS. Zijn verblijf in Soedan leidde tot Amerikaanse sancties tegen dat land, ingesteld tijdens het presidentschap van Bill Clinton.

Na de aanslagen van 11 september 2001 in de VS koos de Soedanese regering eieren voor zijn geld en nam het land afstand van Bin Laden en Al Qaeda. Samenwerking met de VS in de global war on terror leidde tot het opheffen van verschillende sancties, ondanks de miserabele mensenrechtensituatie in Soedan.

Oorlog in de Soedanese regio Darfur leidde begin deze eeuw tot zo'n 300.000 doden en miljoenen ontheemden (foto: AFP).

Honderdduizenden doden in Darfur

De lappendeken van conflicten op basis van afkomst, religie en machtsverdeling leidde in 2003 tot een grootschalig conflict in de regio Darfur. Dat werd uitgevochten door aan de ene kant de Janjaweed, een door de regering bewapende en gesteunde rebellengroep van plaatselijke Arabische stammen, en aan de andere kant rebellenbewegingen van de niet-Arabische bevolking.

Het conflict in Darfur kostte naar schatting aan 300.000 mensen het leven en zo'n twee miljoen mensen sloegen op de vlucht. Volgens de VN waren complete dorpen van de niet-Arabische bevolking platgebrand en geplunderd, maar bleken dorpen van de Arabische bevolking niet te zijn aangevallen.

Al Bashir werd in 2009 aangeklaagd door het Internationaal Strafhof in Den Haag, vanwege de oorlogsmisdaden in Darfur. Het was de eerste keer dat het Strafhof vervolging instelde tegen een zittend staatshoofd. Soedan weigerde de president uit te leveren. Het is nog niet bekend of de militaire coup daar verandering in zal brengen, of dat Al Bashir in eigen land zal worden berecht.

Inwoners van het olierijke Zuid-Soedan vieren de onafhankelijkheid van Soedan op 9 juli 2011 (foto: AFP).

Onafhankelijk Zuid-Soedan en de val van Al Bashir

Een vredesakkoord met zuidelijke rebellengroepen uit 2005 leidde in 2011 tot een referendum over de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan. Een meerderheid van de bevolking koos ervoor de jongste Afrikaanse natie te worden. Dat was een gevoelige klap voor Khartoem; drie kwart van de Soedanese oliewinning vond plaats in het zuiden.

Ondanks de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan blijven er conflicten met Soedan over de verdeling van de olierijkdom. Daarnaast blijft de regio buitengewoon gevoelig voor spanningen: de Zuid-Soedanese president Salva Kiir vecht bijvoorbeeld nog steeds tegen de machtige rebellenleider Riek Machar, ooit zijn rechterhand.

Voor het noorden betekende de onafhankelijkheid van het zuiden economische malaise. Het land is door de tientallen jaren van oorlog al sterk onderontwikkeld en was economisch grotendeels afhankelijk van olie-inkomsten. Het verlies daarvan leidde tot tekorten en een flinke stijging van de voedselprijzen.

Daarmee was de maat vol voor grote delen van de Soedanese bevolking: tientallen jaren van opgekropte frustratie over de dictatuur uitten zich sinds eind vorig jaar in massale protesten tegen Al Bashir en de zijnen.

Op 11 april 2019 maakte het Soedanese leger een einde aan het dertigjarige bewind van Al Bashir. Er is een noodtoestand met een duur van in ieder geval drie maanden afgekondigd. Daarna moet een militaire regering - een junta - in de komende twee jaar de transitie naar een burgerregering realiseren, aldus de coupplegers.