Eén van de tien indringers die op 22 februari met geweld de ambassade van Noord-Korea in Madrid binnendrongen, nam enkele dagen later contact op met het Federal Bureau of Investigation (FBI) in Amerika. Dat zei het Spaanse Hooggerechtshof dinsdag.

Het Spaanse ministerie van Binnenlandse Zaken had eerder gezegd dat de politie een incident bij de ambassade aan het onderzoeken was, maar gaf geen details. Behalve dat een Noord-Koreaanse burger gewond was geraakt en dat niemand een klacht had ingediend.

In een document op basis van het onderzoek zei het hof dinsdag dat een persoon van de groep, een Mexicaanse inwoner van de Verenigde Staten, op 27 februari contact met de FBI had opgenomen.

Hij had informatie over het incident op de ambassade doorgegeven, inclusief audiovisuele opnames. Onder de indringers waren ingezetenen van Mexico, de Verenigde Staten en Zuid-Korea, staat in het document.

'Spanje gaat om uitlevering van de tien indringers vragen'

De Mexicaan had gezegd dat hij de actie bij de ambassade vrijwillig had uitgevoerd. De groep controleerde de ambassade op wapens voordat ze het gebouw verlieten. Daarna verdeelden ze zich in vier groepen en reisden naar Portugal. De Mexicaan vloog van Lissabon naar New York.

Spanje denkt dat de tien indringers inmiddels allemaal in de VS zijn en gaat waarschijnlijk om hun uitlevering vragen. Dat heeft een bron bij justitie in Madrid verklaard. De indringers kunnen 28 jaar gevangenisstraf krijgen als zij schuldig worden bevonden.

Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken verklaarde dinsdag dat de VS niets te maken hebben met actie bij de Noord-Koreaanse ambassade. "De Amerikaanse regering had hier niks mee te maken", verklaarde een woordvoerder van het State Department.