Op enkele tientallen demonstranten na hebben actievoerders het protestkamp tegen de aanleg van een oliepijpleiding in de Amerikaanse staat North Dakota verlaten.

Woensdag verliep een ultimatum dat de autoriteiten hadden gesteld en de meeste actievoerders gaven daar gehoor aan. Dat ging over het algemeen rustig. De politie arresteerde tien mensen die de confrontatie aangingen.

De protesten zijn gericht tegen de aanleg van het laatste deel van de leiding. Dat gaat dwars door het gebied van twee indianenstammen. De leiding verbindt olievelden in North Dakota met raffinaderijen in de Golf van Mexico. Een rechter bepaalde eerder deze maand dat de aanleg door kan gaan.

Onderhandelen

De autoriteiten onderhandelen met zo'n 25 tot 50 actievoerders die nog in het kamp zijn. Sinds bekend werd dat de pijplijn door zou gaan verbleven de afgelopen week nog zo'n driehonderd actievoerders in het kamp. Op het hoogtepunt van de protesten begin december waren naar schatting tussen de vijfduizend en tienduizend actievoerders samengekomen.

De leiding is 1.885 kilometer lang. De aanleg van de pijpleiding kost 3,8 miljard dollar (3,5 miljard euro). President Trump besloot per decreet dat de leiding ondanks protesten van de indianen en klimaatactivisten er kan komen.