De premier van IJsland, Sigurdur Ingi Jóhannsson, kondigt zondag aan op te stappen na het verlies in de verkiezingen.

De centrum-rechtse Progressieve Partij, coalitiepartij in de huidige regering, verloor elf zetels en kwam op acht zetels. 

Jóhannsson werd in april verkozen tot de nieuwe premier van IJsland. Hij volgde de opgestapte Sigmundur David Gunnlaugsson op. Gunnlaugsson trad af vanwege de ophef die ontstond na de onthullingen in de zogenoemde Panama Papers.

Uit de Panama Papers bleek dat Gunnlaugssons echtgenote Anna een bedrijf had dat obligaties bezat van drie IJslandse banken die door de recessie omvielen. De premier steunde een beweging die schuldeisers van deze banken, waaronder Nederland, wilde uitbetalen. Daardoor had hij tevens een persoonlijk belang bij uitbetaling van schulden.

Piratenpartij

De Piratenpartij speelde in op de boosheid over de belastingschandalen van de Progressieve Partij.De verwachte winst van de Piratenpartij bleef uit, hoewel de partij wel meer stemmen kreeg dan bij de vorige verkiezingen.

De regerende Onafhankelijke Partij blijft na de verkiezingen de grootste partij van IJsland. De partij kreeg 29 procent van de stemmen, goed voor 21 zetels in het 63 zetels tellende parlement. Dat is een winst van twee plaatsen.