Houthi-rebellen hebben landmijnen neergelegd in de Jemenitische havenstad Aden voordat ze de stad in juli van dit jaar verlieten. 

Dat zegt Human Rights Watch (HRW) zondag.

Ze zouden dat ook in de regio Abyan hebben gedaan. In ieder geval elf mensen zijn in augustus om het leven gekomen door ontploffingen van mijnen. Meer dan twaalf mensen raakten gewond, onder wie twee ruimers van de explosieven.

"Jemen heeft net als de meeste landen het gebruik van landmijnen tegen personen verboden", aldus HRW. "Dus baart het ons grote zorgen dat deze wapens worden gebruikt in het zuiden van het land. De Houthi's moeten onmiddellijk stoppen met het neerleggen van de landmijnen en respecteren dat het land zich heeft uitgesproken tegen landmijnen."

Verdreven

De sjiitische Houthi's en het Jemenitische regeringsleger zijn al lange tijd in gevecht. De verdreven president Abd-Rabbu Mansour Hadi sloeg in maart op de vlucht naar Saudi-Arabië, toen de rebellen Aden naderden en later bezetten.

Dat was deels de aanleiding voor de door Saudi-Arabië geleide coalitie om te starten met het bombarderen van Houthi-doelwitten. Mede daardoor wist het regeringsleger Aden in augustus te heroveren.

Verdrag

De meeste landen ter wereld veroordelen het gebruik van landmijnen. Daarom ondertekenden 162 naties in 1997 een verdrag waarin ze beloofden nooit meer landmijnen te gebruiken, produceren en verkopen. Jemen sloot zich daar een jaar later aan. De organisatie die het verdrag mogelijk maakte, werd in hetzelfde jaar geëerd met de Nobelprijs voor de Vrede.