De Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten moeten meer informatie over gevaarlijke gebieden aan vliegmaatschappijen verstrekken dan ze nu doen. 

Dat vindt D66, die daarover nieuwe vragen gaat stellen aan het kabinet.

Het kabinet kwam donderdag met antwoorden op vragen van D66 en CDA over de MH17-ramp. Aanleiding was het bericht dat Nederlandse vliegtuigen nog steeds over conflictgebieden vliegen. De partijen wilden weten hoe dat zit en of de overheid een verbod kan opleggen.

Het kabinet stelt dat de luchtvaartmaatschappij zelf verantwoordelijk is voor de veilige uitvoering van een vlucht. Ze moeten risico's afwegen op basis van relevante informatie. Die krijgen de maatschappijen onder meer van de veiligheidsdiensten. Het gaat dan om ''concrete, tegen de burgerluchtvaart gerichte dreigingsinformatie.''

Mager

D66 vindt dat te mager. Ook dreigingen in zo'n gebied die niet specificiek tegen de luchtvaart zijn gericht, zijn belangrijk om te weten omdat ze wel degelijk een risico kunnen vormen, aldus D66.

Het kabinet meldt verder geen lijst van wapensystemen in gebieden te kunnen opnemen, omdat zo'n overzicht niet volledig kan zijn en bovendien een momentopname is. Of er sprake is van een risico op de veronderstelde veilige vlieghoogte van 10 kilometer hangt ook af van de bedoelingen en kennis van degenen die over deze wapens beschikken, aldus het kabinet.