Nakomelingen van Joden die in de vijftiende eeuw uit Spanje werden verdreven, kunnen de Spaanse nationaliteit krijgen. 

De Spaanse Tweede Kamer heeft daar donderdag mee ingestemd.

Om Spanjaard te worden hoeven deze Joden niet in Spanje te gaan wonen en hoeven ze hun huidige nationaliteit niet op te geven. De ministers van Justitie en die van Buitenlandse Zaken, Rafael Catalá en José Manuel García-Margallo, spraken in het parlement over ''het historisch besluit dat een groot onrecht na vijfhonderd jaar herstelt''.

De rooms-katholieke Spaanse koningen van Castilië en Aragón, Isabella I en Ferdinand II, besloten in 1492 dat Joden moesten vertrekken of christen worden, en ze vaardigden hun 'Verdrijvingsedict' uit. Velen vonden een goed heenkomen in het islamitische Ottomaanse Rijk. Kleine groepen trokken naar de Nederlanden.

De van oorsprong Spaanse Joden heten de Sefardische Joden, die Spanje Sefarad noemden. De Spaanse islamieten in die tijd werden ook vervolgd en in 1609 werd hun met een edict bevolen te vertrekken.