Servië en Kroatië hebben geen genocide (volkerenmoord) gepleegd op elkaar tijdens de oorlog tussen 1991 en 1995. Wel is sprake geweest van ernstige misdaden. Dat is het oordeel van het Internationaal Gerechtshof (ICJ) in Den Haag.

Het hoogste hof van de Verenigde Naties (VN) deed dinsdag uitspraak in de zaak, die in 1999 door Kroatië was aangespannen.

De Kroatische regering beschouwde onder meer de verwoesting van de stad Vukovar door het Servische lege, in 1991 als volkerenmoord en eiste herstelbetalingen.

Het Joegoslavische leger, dat in de praktijk vooral uit Serviërs bestond, viel de stad aan nadat Kroatië zich onafhankelijk had verklaard. Tienduizenden Kroaten werden verdreven en zo'n 260 mannen werden doodgeschoten. 

Het VN-hof oordeelt twintig jaar na dato dat Servische en Kroatische troepen weliswaar misdaden hebben begaan, vooral aan het begin van de oorlog, maar dat dit geen genocide kan worden genoemd.

Tegenclaim

De Serviërs dienden op hun beurt een soortgelijke tegenclaim in, maar ook deze werd afgewezen. Die aanklacht draaide om het bombarderen en verdrijven van zo'n 200.000 etnische Serviërs uit het gebied Krajina door het Kroatische leger en de moord op honderden achtergebleven burgers in 1995.

Ook in dit geval was er sprake van ernstige misstanden, aldus de rechters, maar niet van genocide.

Einde hoofdstuk

De zaak heeft zich zestien jaar voortgesleept. Beide landen zijn blij dat er eindelijk een uitspraak is, ook al werden hun klachten afgewezen. ''Dit markeert het einde van een hoofdstuk uit het verleden'', reageerde de Servische minister van Justitie Nikola Selakovic.

Zijn Kroatische collega Vesna Pusic koos ongeveer dezelfde woorden. Ze zei te hopen op ''een betere en veiliger toekomst voor mensen in dit deel van Europa''.

Tijdens de Kroatische onafhankelijkheidsoorlog, tussen 1991 en 1995, kwamen meer dan 20.000 mensen om het leven.

Video: Geen genocide tijdens Kroatische oorlog