De aanvallen die Israël afgelopen zomer uitvoerde op huizen op Gazastrook waren in strijd met de oorlogsregels. Dat heeft de Israëlische mensenrechtengroep B'Tselem woensdag gezegd. 

Volgens de organisatie waren de meeste Palestijnse slachtoffers die bij de aanvallen omkwamen vrouwen, bejaarden of kinderen. 

"Wij twijfelen er niet aan dat dit niet het gevolg is van een beslissing op laag niveau, maar eerder een kwestie van beleid, een beleid dat in sommige gevallen in strijd is met de internationale mensenrechten", zei de directeur van B'Tselem over de aanvallen waarbij deze zomer duizenden huizen op de Gazastrook werden vernietigd.

Het Israëlische leger zei woensdag slechts woningen te hebben aangevallen die "legitieme militaire doelwitten" waren en verklaarde er alles aan te hebben gedaan "leed voor burgers te minimaliseren".

Israël verklaarde eerder huizen te hebben aangevallen, omdat die zouden worden gebruikt als commandopost of wapenopslagplaats. In de meeste gevallen weigerde het leger echter te zeggen wie of wat precies werd aangevallen. 

Oorlogsmisdaden

B'Tselem nam zeventig aanvallen onder de loep. Meer dan zeventig procent van de 606 slachtoffers die bij de zeventig aanvallen omkwamen waren minderjarigen, vrouwen en ouderen. Juridisch experts wijzen er op dat een hoog aantal burgerslachtoffers op zichzelf geen bewijs is voor oorlogsmisdaden.

Zij menen dat elk geval apart moet worden bekeken. Volgens het Israëlisch leger worden alle aanvallen waar B'Tselem in zijn rapport op wijst, onderzocht. 

Het conflict tussen Israël en de Palestijnse beweging Hamas laaide deze zomer opnieuw hoog op. Bij luchtaanvallen die bijna vijftig dagen aanhielden kwamen ruim 2.200 mensen om het leven. Het merendeel van hen was Palestijns.

Achtergrond: Onzekere tijd voor Israël en de Palestijnen