Nabestaanden van meer dan vijfhonderd slachtoffers van de slachting in Srebrenica willen niet dat hun naasten vrijdag begraven worden, omdat er maar een of twee botten van hun familieleden zijn gevonden.

Dat heeft het hoofd van het dna-identificatieproject, Kathryne Bomberger, donderdag gezegd.

Van de overledenen die het team van Bomberger het afgelopen jaar geïdentificeerd heeft worden vrijdag 175 mensen begraven. In totaal kregen bijna zevenhonderd onbekende slachtoffers van de moordpartij een naam.

Ruim achtduizend moslimmannen en -jongens werden gedood toen Servische militairen Srebrenica bestormden op 11 juni 1995. De plaats was een enclave van de Verenigde Naties en stond onder toezicht van Nederlandse blauwhelmen.

De doden werden begraven in massagraven. Hun resten werden door hun moordenaars vermengd om de sporen van de misdaden te verhullen. Geleidelijk worden ze opgegraven, geïdentificeerd en eens in het jaar - op 11 juli - herbegraven.

De slachting van Srebrenica is de grootste Europese moordpartij sinds de Tweede Wereldoorlog.