Mensenrechtenrapporteur van de Verenigde Naties Tomas Ojea Quintana heeft zijn zorgen uitgesproken over de behandeling van de islamitische Rohingya's in Myanmar. 

Hun gebrek aan voedsel, water en medische zorg is onderdeel van een lange geschiedenis van vervolging, zo erg dat mogelijk sprake is van misdaden tegen de menselijkheid, zegt Quintana.

De 1,3 miljoen Rohingya's wonen bijna allemaal in de westelijke deelstaat Rakhine.

Ze zijn aan hun lot overgelaten doordat honderden binnenlandse en buitenlandse hulpverleners het gebied zijn hun ontvlucht nadat hun woningen en kantoren eind vorige maand door groepen boeddhisten waren aangevallen. Sommigen probeerden terug te keren, maar kregen niet de daarvoor vereiste vergunningen.

"De recente ontwikkelingen in Rakhine zijn de jongste in een lange geschiedenis van discriminatie en vervolging van de Rohingya-gemeenschap die kunnen neerkomen op misdaden tegen de menselijkheid", stelt Quintana in een verklaring die maandag door de VN in Genève werd uitgegeven.

Het vertrek van de hulpverleners 'zal de kwetsbaarheid van deze gemeenschap slechts vergroten'.

Arriveren

Veel Rohingya's zijn in Myanmar geboren in gezinnen die generaties geleden al in het land arriveerden. Toch beschouwt de regering hen als illegale immigranten uit Bangladesh.

Doordat ze volgens de wet geen aanspraak kunnen maken op het Myanmarese staatsburgerschap, mogen ze zich niet buiten Rakhine begeven. Ook zijn er beperkingen op de banen die zij kunnen vervullen, het aantal kinderen dat zij mogen krijgen en hun toegang tot het onderwijs.

In Myanmar is de militaire dictatuur een paar jaar geleden na een halve eeuw afgeschaft. De in naam civiele regering oogst internationaal lof voor de democratische hervormingen die zijn ingezet, maar verschillende landen waarschuwen dat deze vooruitgang door religieuze onverdraagzaamheid wordt ondergraven.

In de afgelopen twee jaar zijn bij geweld door boeddhistische extremisten 280 mensen om het leven gekomen. Honderdveertigduizend mensen zijn uit hun woonplaatsen verdreven. De extremisten ageren regelmatig tegen humanitaire hulporganisaties, omdat ze op de hand van moslims zouden zijn. Ze bedreigen nu ook medewerkers van hulporganisaties door hun namen en adressen te publiceren.