De zoektocht naar kunstwerken die de nazi's tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben geroofd, veelal van Joodse burgers, moet beter en sneller.

De Duitse regering wil daarom een speciaal centrum oprichten dat de zoektocht naar de roofkunst moet gaan coördineren.

Dat kondigde de Duitse staatssecretaris van Cultuur Monika Grütters woensdag aan.

''Ik vind het simpelweg onverdraaglijk dat zich nog altijd naziroofkunst in Duitse musea bevindt'', aldus Grütters. Daarom verdubbelt de Duitse regering het budget voor de opsporingsactie naar zo'n 14,5 miljoen euro. Dat geld is nodig om de tot op heden verzamelde kunst - zeker 90.000 kunstvoorwerpen uit 67 musea en meer dan een half miljoen boeken uit twintig bibliotheken - te onderzoeken.

Allerlei instanties, zowel op federaal niveau als op het niveau van de deelstaten, houden zich al bezig met het opsporen van geroofde kunst. Het ontbreekt echter aan een duidelijk aanspreekpunt.

Oplossing

De afkomst van veel 'roofkunstwerken' is recentelijk extra in de schijnwerpers komen te staan. Aanleiding was onder meer de vondst twee maanden geleden van 1400 kostbare kunstwerken bij München. Deze kwamen onder dubieuze omstandigheden tijdens het nazitijdperk in bezit van de vader van de Duitse Cornelius Gurlitt (80).

Woensdag maakte de nabestaanden van Gurlitt bekend in gesprek te zijn met de erfgenamen van diverse kunstwerken. ''We zijn al in gesprek over een eerlijke en billijke oplossing'', aldus zijn advocaat in de Duitse krant Frankfurter Algemeine Zeitung.

Vorig jaar werd Gurlitt nog geciteerd door Der Spiegel dat hij niets van zijn kunstschatten zou teruggeven. Die collectie bestaat uit 121 ingelijste doeken en 1285 werken die niet zijn ingelijst. Het gaat om schilderijen van bijvoorbeeld Dürer, Delacroix, Picasso, Matisse, Dix, Kirchner en Chagall. De waarde is mogelijk 1 miljard euro.