AMSTERDAM - Human Rights Watch (HRW) beweert dat ten tijde van de regeerperiode van Bush in CIA-gevangenissen in diverse landen op veel grotere schaal werd gemarteld dan is toegegeven.

Amerikaanse inlichtingendiensten zouden in de nasleep van de aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten nauw samen met het bewind van Muammar Kaddafi hebben gewerkt, ze werden hierbij geholpen door Britse collega's.

Ze arresteerden tegenstanders van de Libische oud-leider en hielden hen gevangen in het buitenland.

Het rapport van HRW, dat donderdag werd vrijgegeven, berust op interviews met veertien voormalige Libische gedetineerden en informatie uit de archieven van het verdreven Libische bewind.

De gedetineerden werden vastgehouden in Amerikaanse detentiecentra in Afghanistan - soms tot twee jaar lang - of werden door Amerikanen verhoord in onder andere Pakistan, Marokko, Thailand en Sudan voor ze werden overgedragen aan de Libische autoriteiten.

Strijdersfront

De veertien door HRW geïnterviewde Libiërs werden in de periode na september 2001 opgepakt. Op een uitzondering na waren zij lid van een strijdersfront dat zich keerde tegen Kaddafi.

In de jaren tachtig en negentig vluchtten zij naar Pakistan, Afghanistan en diverse Afrikaanse landen. In Afghanistan hielden zij er net als Al-Qaeda trainingskampen op na, hoewel zij het contact met Osama bin Laden meden en zich richtten op de strijd tegen Kaddafi.

Nu, na de val van Kaddafi vorig jaar, opmerkelijk genoeg tot stand gekomen met hulp van de VS, bekleden sommigen van hen posities in de nieuwe Libische regering.

Acht van de veertien geïnterviewde Libiërs werden in 2004 overgedragen aan het Libische regime.

In datzelfde jaar zocht de toenmalige Britse premier Tony Blair openlijk toenadering tot Kaddafi en sloot de Nederlands-Britse oliegigant Shell een belangrijke zakelijke overeenkomst over de winning van aardolie voor de Libische kust, aldus HRW. De zes andere voormalige gedetineerden werden in de hieropvolgende twee jaar overgedragen aan Tripoli.

Verschil

Volgens HRW slaagden de VS er na 11 september 2001 niet in een verschil te maken tussen islamitische extremisten die de VS tot doelwit hadden gemaakt en mensen die 'eenvoudigweg verwikkeld waren in de gewapende strijd tegen hun eigen repressieve regimes'. Hierdoor ontstond het risico dat de VS zich op één lijn schaarden met wrede dictators, aldus de mensenrechtenorganisatie.

De regering van Obama maakte een einde aan het gebruik van waterboarding en veel van de andere harde verhoormethodes die door zijn voorganger waren goedgekeurd. Toch besloot het Amerikaanse ministerie van justitie niet over te gaan op vervolging van de betrokkenen.