STOCKHOLM - Het wordt steeds ingewikkelder voor de internationale gemeenschap om in te grijpen bij een regionaal gewapend conflict, zoals nu gaande is in Syrië.

Dat blijkt uit het jaarverslag dat het Stockholmse Internationale Instituut voor Vredesonderzoek (SIPRI) maandag publiceerde.

SIPRI stelt dat de onrust in het Midden-Oosten, bekend als de Arabische Lente, aantoont hoe ingewikkeld regionale conflicten kunnen zijn.

De reactie van wereldmachten is vaak traag vanwege politieke spanningen. Zo staat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in Syrië nagenoeg machteloos, omdat China en Rusland internationaal ingrijpen niet zien zitten.

Libië

Ook in het geval van Libië duurde het erg lang voordat NAVO-landen het met elkaar eens werden over militaire actie. In het Noord-Afrikaanse land vochten opstandelingen in 2011 een bloedige strijd uit met aanhangers van het regime van kolonel Muammar Kaddafi. Uiteindelijk kregen de rebellen wel steun van de NAVO.

Volgens onderzoekers van het SIPRI willen landen die kernwapens hebben hun arsenaal verkleinen. Aan het begin van 2011 bezaten die landen samen 20.530 kernkoppen.

Voorraad

Een jaar later is dit aantal teruggebracht tot 19.000. Vooral Rusland en de VS, de twee landen met veruit het grootste arsenaal aan kernwapens, dringen hun voorraad terug.

Dit betekent niet dat landen kernwapens vaarwel zeggen. Onder meer de VS en China hebben nieuwe lanceerinstallaties aangekondigd, een signaal dat ze nog steeds door willen gaan met hun kernprogramma's.

Lees alles over de onrust in het Midden-Oosten