AMSTERDAM - Het Chinese Volksleger, dat in de nacht van 3 op 4 juni 1989 op het Tiananmen-plein in Beijing op bloedige wijze een einde maakte aan de democratiseringsbeweging, had dit niet hoeven doen.

Een dergelijk ingrijpen was niet absoluut noodzakelijk en dus vermijdbaar. Dat vindt althans Chen Xitong, de man die destijds burgemeester van Beijing was.

Chen doet deze uitspraak in een boek dat binnenkort uitkomt. Overigens werpt Chen iedere directe verantwoordelijkheid voor het bloedbad, dat aan duizenden burgers het leven heeft gekost, ver van zich.

Doodgezwegen

Chen, die later wegens corruptie als leider van de afdeling Beijing van de communistische partij werd gewipt, gold als een voorstander van het bloedige ingrijpen van destijds. Dat hij nu een genuanceerder positie inneemt is opmerkelijk en duidt erop dat binnen de partijtop binnenskamers kennelijk toch over de kwestie-Tiananmen wordt gepraat.

De Chinese machthebbers hebben nooit verantwoording afgelegd voor het gebeurde. Het bloedbad wordt doodgezwegen in de Chinese geschiedenisboeken en geldt ook nog altijd in het openbaar als een taboeonderwerp.