WASHINGTON - De verdreven Libische leider Muammar Kaddafi heeft nauw samengewerkt met de Amerikaanse inlichtingendienst CIA en de Britse dienst MI6.

Dat meldden de kranten The Wall Street Journal, The Independent en The Times.

Onder de Amerikaanse president George W. Bush zouden zelfs terreurverdachten en andere personen naar het Noord-Afrikaanse land zijn gestuurd om te worden ondervraagd.

Een van hen is Abdel Hakim Belhadj. Hij werd na aankomst in Libië ondervraagd en gemarteld. Belhadj voert momenteel de anti-Kaddafistrijders in de straten van Tripoli aan.

Documenten

Uit de documenten blijkt ook dat de toenmalige Libische inlichtingenchef Moussa Koussa warme contacten onderhield met hooggeplaatste CIA-medewerkers. Een toespraak van Kaddafi over zijn wapenarsenaal lijkt te zijn geschreven door de CIA.

De samenwerking tussen de CIA en Kaddafi's bewind was zo goed dat de Amerikanen ''een permanente aanwezigheid'' in het Noord-Afrikaanse land hadden, zo blijkt uit een memorandum dat Stephen Kappes van de Amerikaanse inlichtingendienst aan Koussa stuurde.

Kappes speelde een belangrijke rol in de onderhandelingen die ertoe leidden dat de Libische leider Muammar Kaddafi in 2003 besloot zijn nucleair programma op te geven.

MI6

De Britse inlichtingendiensten hielden Libië op de hoogte van de activiteiten van vluchtelingen in Groot-Brittannië. Zo liet de MI6 Libië in 2004 weten dat een Libische oppositieactivist was vrijgelaten uit een Britse gevangenis. Ook zouden de Britten telefoonnummers hebben willen traceren voor Libië.

De kranten baseren zich op geheime documenten, die onder meer zijn gevonden in een kantoor van Koussa. Hij vluchtte eind maart naar Groot-Brittannië en reisde daarna naar Qatar.

Onderzoekers

De documenten zijn ingezien en gekopieerd door onderzoekers van de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch (HRW). De medewerkers waren vrijdag in een gebouw van de Libische inlichtingendienst. HRW helpt de nieuwe regering van Libië met het veiligstellen van documenten van het regime van Kaddafi.

De regeringen in Washington en Londen hebben nog niet gereageerd op de berichten.