DEN HAAG - De voormalige Kroatisch-Servische president Goran Hadzic heeft woensdag voor het Joegoslavië-Tribunaal verklaard onschuldig te zijn.

Hoofdaanklager Serge Brammertz houdt hem medeverantwoordelijk voor onder meer de moord op en de marteling van etnische Kroaten in 1991/92.

Hadzic werd in juli gearresteerd. Hij was de laatste voortvluchtige van de 161 verdachten van oorlogsmisdaden die sinds de oprichting in 1993 door het VN-hof in Den Haag in staat van beschuldiging zijn gesteld.

Bij zijn eerste voorgeleiding op 25 juli wilde Hadzic nog niet ingaan op de tenlastelegging. Woensdag pleitte hij bij de voortzetting van de eerste voorgeleiding ten overstaan van de Belgische VN-rechter Guy Delvoie alsnog onschuldig.

Krajinarepubliek

De inmiddels 52-jarige Hadzic was president van de zogeheten Krajinarepubliek van etnische Serviërs, die zich in 1991 losmaakte van de rest van Kroatië. Dat had zich op zijn beurt onder leiding van de nationalist Franjo Tudjman losgemaakt van Joegoslavië.

De Servische minderheid in Kroatië vreesde overheersing door het bewind van Tudjman in Zagreb, dat fascistische symbolen uit de Tweede Wereldoorlog gebruikte.

Volgens de aanklacht werden de etnische Kroaten in de Krajinarepubliek slachtoffer van etnische vervolging. Er werd niet alleen gemoord en gemarteld; er werden ook Kroaten gedeporteerd, hun dorpen en kerken vernield en geplunderd.

Voorgeleiding

Woensdag was de laatste eerste voorgeleiding van een verdachte van oorlogsmisdaden voor het Joegoslavië-Tribunaal. De eerste eerste voorgeleiding was op 26 april 1995, toen de Bosnische Serviër Dusko Tadic als eerste verdachte voor het tijdelijke VN-tribunaal verscheen.

Het tribunaal moet op termijn sluiten, maar eerst nog een aantal belangrijke zaken afhandelen, zoals de processen tegen de voormalige Bosnisch-Servische president Radovan Karadzic en diens legerleider, generaal Ratko Mladic.