LONDEN - De opvatting van de Britse regering over de bedreiging die de Iraakse leider Saddam Hussein vormde, ''veranderde dramatisch'' na de aanslagen van 11 september 2001.

Dat zei de Britse oud-premier Tony Blair vrijdag tegen de commissie-Chilcot, die de Britse deelname aan de oorlog in Irak onderzoekt.

Tot de aanslagen op New York en Washington ''dachten we dat hij (Saddam Hussein) een risico vormde'' maar dat het risico kon worden ''ingedamd'', verklaarde Blair.

''De cruciale kwestie is dat na 11 september de analyse van het risico veranderde.'' Blair omschreef Saddam Hussein als een ''monster'' en een ''psychopaat''.

Massavernietigingswapens

Blair herhaalde dat de bepalende factor om de oorlog tegen Irak te beginnen de kwestie van de massavernietigingswapens was.

Volgens de Britse en Amerikaanse regering destijds was er voldoende bewijsmateriaal dat Saddam Hussein in strijd met VN-resoluties over massavernietigingswapens beschikte. De inval in Irak in maart 2003 begon uiteindelijk zonder goedkeuring van de VN.

Verantwoording

Het is voor het eerst dat Blair zich in het openbaar moet verantwoorden voor de oorlog. Veel Britten waren het niet eens met de oorlog en denken dat in Londen en Washington met bewijsmateriaal is gerommeld om de invasie te rechtvaardigen.

Massavernietigingswapens zijn na de val van Saddam Hussein niet aangetroffen in Irak.

Bij het conferentiecentrum in Londen waar Blair wordt verhoord, staan circa honderd demonstranten te protesteren tegen Blair. Er is een grote politiemacht op de been.

De betogers riepen leuzen als 'Tony in de gevangenis' en 'Blair loog, duizenden stierven'. Onder de menigte bevinden zich ook enkele verwanten van Britse militairen die sneuvelden in Irak.

Voor de getuigenis van Blair heeft de commissie zes uur ingeruimd.

Verhoor Blair