De rekening die het Verenigd Koninkrijk moet betalen voor de scheiding met de Europese Unie, de zogeheten Brexit, lijkt opnieuw hoger uit te vallen. Dat blijkt uit een nieuwe schatting van het Britse ministerie voor Financiën.

Naar verwachting komt de rekening nu uit op 42,5 miljard pond (een kleine 50 miljard euro). Daarmee liggen de verplichtingen waaraan het VK nog moet voldoen zo'n 5 miljard pond hoger dan vorig jaar.

De rekening omvat zaken als afgesproken betalingen aan infrastructuurprojecten en ontwikkelingslanden, maar ook de lonen en pensioenen van EU-medewerkers. Het VK is deze projecten aangegaan als lid van de EU en is daar na de Brexit niet ineens vanaf. En dus betalen de Britten een rekening om deze zaken af te kopen.

In eerste instantie ging de regering van Boris Johnson uit van een bedrag van tussen de 35 en 39 miljard pond, maar volgens een hooggeplaatste ambtenaar wordt de rekening nu geschat op 42,5 miljard.

Dat de rekening nu hoger uitvalt, heeft te maken met de stijgende rentes en hoge inflatiecijfers. Hierdoor vallen de pensioenverplichtingen hoger uit. De ambtenaar benadrukt wel dat het om een verplichting over meerdere decennia gaat. Hierdoor kunnen de zaken die nu voor een hogere schatting zorgen op een later moment juist weer dalen, waardoor de rekening weer lager uitvalt.