De Britse regering heeft minstens 4.4 miljard pond (ruim 5 miljard euro) uitgegeven aan de voorbereiding van het Verenigd Koninkrijk om de Europese Unie (EU) te verlaten, blijkt vrijdag uit de eerste gedetailleerde schatting van de kosten van de Brexit.

Uit een rapport van de National Audit Office (NAO) blijkt dat het meeste geld is uitgegeven aan de kosten voor personeelsleden (1.9 miljard pond), de aanleg van nieuwe infrastructuur (1.5 miljard pond) en aan extern advies (288 miljoen pond).

Er moest onder meer nieuw douanepersoneel worden opgeleid. Ook moest er extra personeel worden aangenomen om handelsakkoorden te regelen en om de infrastructuur rondom havens te verbeteren.

Ten tijde van de mislukte onderhandelingspoging in oktober, waardoor er bijna sprake was van een no deal-Brexit, waren er zeker 22.000 functionarissen van de Britse regering aan het werk om het vertrek van het Verenigd Koninkrijk te regelen.

De Britse overheid had 6.3 miljard pond (7.2 miljard euro) vrijgemaakt voor de voorbereiding van de Brexit. Volgens de eerste schatting is daar dus slechts 70 procent van uitgegeven.

Kosten voor regering zijn slechts kleine fractie van totale kosten

De schatting richt zich alleen op de kosten van de regering om de Brexit voor te bereiden. De kosten van onder meer de Brexit-deal zelf zijn in deze schatting niet meegenomen. Die deal kostte zeker 39 miljard pond (ruim 45 miljard euro).

De gehele Brexit heeft de Britse economie volgens onderzoek van Bloomberg uit januari zo'n 130 miljard pond (153 miljard euro) gekost. Daar komen de kosten van 2020 nog bij. Mogelijk komen die neer op zo'n 70 miljard pond.

Het Verenigd Koninkrijk verliet de EU eind januari na een lidmaatschap van 47 jaar.