Op korte termijn lijdt de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie onder de Brexit vanwege een verslechterde concurrentiepositie. Dit geldt in mindere mate ook voor de landbouw, chemie en handel, concludeert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dinsdag.

Het PBL deed onderzoek naar de kortetermijngevolgen van de Brexit voor 62 bedrijfstakken in Nederland. Ook is gekeken naar verschillen tussen de provincies.

De provincies die het economisch beter doen, worden volgens het onderzoek minder hard geraakt. Hierbij gaat het om Zuid- en Noord-Holland en Noord-Brabant. Kleinere provincies voelen de gevolgen meer.

"Dat komt onder meer doordat bedrijven in deze economisch grotere regio's minder afhankelijk zijn van economische relaties met het Verenigd Koninkrijk. Daarnaast zijn er in deze regio's meer bedrijven uit de dienstensector, die gemiddeld genomen hun concurrentiepositie versterken", aldus het onderzoek.

"Enkele bedrijfstakken in de dienstverlenende sector, zoals financiële diensten, telecom- en reisorganisaties, versterken juist hun concurrentiepositie", stelt het PBL. Dat kan komen doordat de kosten voor hun concurrenten uit het VK meer toenemen dan hun eigen kosten.

Stijgende kosten door handelsbarrières na de Brexit

De verminderde concurrentiepositie wordt volgens het PBL bepaald door verhoogde kosten die samenhangen met handelsbarrières. Die worden bij de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie ingevoerd.

Het gaat bij het PBL-onderzoek om de effecten die meteen na de Brexit optreden, en staat los van hoe bedrijven, overheden en consumenten zullen reageren.