Beklemmende roman speelt zich af in Zweden eind negentiende eeuw. Op een drukkende dag in september dwaalt een verward meisje door een huis waar twee lijken liggen.

In Koortsmeisje wordt geen regulier speurwerk verricht naar de dood van twee volwassenen. Ze liggen samen op bed en zijn geen natuurlijke dood gestorven.

Er is in deze misdaadroman ook geen rechercheur met een loep en opschrijfblokje om de zaak te onderzoeken, laat staan dat de plaats delict wordt afgezet.

De lezer moet het hebben van de enige die zich in de buurt van de twee lijken bevindt. Het is de jonge Luna, en de dode man in dat huis is haar vader.

De vrouw die bij hem is, kent ze niet. Of wel? Ze pijnigt haar hersenen. Ze moet in shock zijn, en zo leest Östnäs' roman ook - als een heiige droomtocht waar realiteit en bedenksels door elkaar lopen. Het is het relaas van een meisje dat op een drukkend warme dag in Zweden de macabere ontdekking doet, en de situatie poogt te doorgronden.
 

Verwarring

De schrijfster speelt een virtuoos literair spel met verwarring, schok en herinneringen, die door en langs elkaar heen wervelen. Op het eerste oog lijkt dat verleden in het huis nog een levendige boel met broers en zussen die hun gebruikelijke plagerijen hebben, en twee ouders op de achtergrond die door Luna worden gadegeslagen. Maar de fragmenten zijn donker gearceerd met kleine tekens van gekte en wanhoop, die een gezin op drift impliceren.

Het verloop van het verhaal speelt zich voornamelijk in het hoofd van de vertelster af. Ze dwaalt rond in het huis met die lijken zoals ze ronddwaalt in haar hoofd met herinneringen, en in dat hoofd heeft zich in haar kindertijd de nodige ballast opgehoopt, die de waarheid naar believen kleurt en sorteert. Mooi hoe de werdegang van haar verwarring door Östnäs' schrijfstijl wordt verbeeld. Sinister, koortsachtig boek.

Uitgeverij De Geus

Vertaling Tineke Jorissen-Wedzinga