Dichtbundel van de omstreden Deens-Palestijnse Yayha Hassan is een odyssee van geweld met diepe tragiek. 

Deze gedichtenbundel is het debuut van de in opspraak geraakte Yayha Hassan. De Deens-Palestijnse dichter gunde niet zomaar een kijkje in de keuken van de islamitische Deense immigrantengemeenschap: hij gooide de poorten wagenwijd open, en werd prompt bedolven onder de doodsbedreigingen.

De gedichten beslaan de periode van Hassans kindertijd tot nu, 76 gedichten die een opeenvolgende verhaallijn hebben als in een roman. Al na het lezen van de eerste tien rijst de vraag hoe deze grove schending van de mensenrechten mogelijk is. Kinderen en echtgenotes zijn hier boksballen voor vaders die hun kroost systematisch tot ontwrichte, wraakzuchtige, woedende kruitvaten schoppen.

Gespleten

De orgie van geweld gaat voor Hassan hand in hand met religieuze indoctrinatie. Dogma's en teksten die de reële wereld om hem heen op geen enkele manier inzichtelijk maken.

Hij krijgt van niemand een instrument aangereikt om zich in de moderne Deense samenleving staande te houden, en wordt het prototype van de gespleten Deen annex moslimbroeder, een grillige mix van leven tussen uitersten als een op hol geslagen metronoom.  

De gewelddadige jeugd gaat vanzelf over in een leven van tuchtscholen, misdaad, en agressie naar hulpverleners en politie, met wie hij al snel te maken krijgt.

Het is uitzien naar het moment van de ommekeer, waarop deze jongen als een van de weinigen zijn heldere moment krijgt aangereikt. Het moment waarop hij beseft dat het leven iets anders te bieden moet hebben dan helers, drugs, overvallen, vechtpartijen, neef/nicht-huwelijken en frauderende familieleden.

Stijl

Deze j'accuse in dichtvorm zal bij menig lezer verontwaardiging oproepen door de rauwe, ongepolijste stijl waarop de man zijn hart uitstort. In het begin van de bundel is dat in nog bijna kinderlijke zinnen; impressies van een jochie in een liefdeloos huis waar de angst regeert en alom de echo weerklinkt van broers, zusjes en de moeder die worden geslagen, altijd maar weer geslagen.

Allengs komt er meer beeldspraak in. Hassan gaat zijn gevoel en gedachten vervatten in wrange zinnen, met amper ruimte voor zachtheid of rust.

Met het klimmen van de jaren nestelt de wanhoop zich als een koortsvirus tussen de dichtregels, een crescendo van woede over de hypocrisie van zijn omgeving. Hij speelt met taal en dialect, en in de finale, getiteld Megagedicht, gebruikt hij straattaal die de ontspoorde immigrantenjongeren allen bezigen, alsof zijn onvermijdelijke vorming is voltooid.     

Tapijt

Het is geen schande dat deze dichter zijn mond opentrekt, zoals hem vanuit allerlei hoeken is verweten; het is eerder erg dat hij over zijn leven zou moeten zwijgen als hij dat niet wil. Wie zo veel onder de mat zou moeten vegen, zou een vliegend tapijt nodig hebben.

Uitgeverij De Bezige Bij

Vertaald door Lammie Post-Oostenbrink