Bernlef is bij uitstek de schrijver die onderzoekt hoe herinnering werkt en wat de functie van verbeelding daarbij is. Ook in zijn nieuwste verhalenbundel staat de ongrijpbaarheid van het verleden centraal.

De veelvuldig bekroonde auteur viert zijn vijftigjarig schrijversjubileum met de publicatie van de verhalenbundel Help me herinneren en een uitgebreide keuze van zijn dichtwerk, getiteld Voorgoed.

In het lange titelverhaal, eigenlijk een novelle in brieven, figureert Gino, een Italiaanse jongeman die kelner is bij zijn oom in New York. Hij correspondeert met zijn oude moeder op het platteland in Italië.

Officieel is zij geen analfabeet, want ze kan haar naam spellen. Een afgekeurde onderwijzeres in het dorp schrijft haar brieven en leest de antwoorden van haar zoon aan haar voor. Hoe betrouwbaar is de schrijfster van de brieven? Voegt zij, net als elke prozaschrijver en dichter, het mozaïek van de eigen belevingen toe aan de tekst?

In het verhaal Na mijn begrafenis becommentarieert Bernlef met de nodige zelfspot zijn schrijverscarrière. Zijn dode ik is "de beste vriend van zijn leven kwijt geraakt", ene Henk die in 1960 de eerste dichtbundel Kokkels (ook opgenomen in Voorgoed) publiceerde.

Verteller

Bernlef geeft in alle prachtige miniatuurtjes geen uitleg over het menselijk gedrag. Hij is de observator bij uitstek, laat het oordeel aan de lezer.

Vaak is de verteller een oudere man, zich bewust van zijn levervlekken, die de wereld om zich heen haarscherp in zich opneemt. Een ontmoeting met een oude klasgenoot doet hem denken aan een gemeenschappelijk schoolliefje. Ze blijkt al op jonge leeftijd omgekomen. Twintig jaar heeft hij niet aan haar gedacht, nu probeert hij haar gezicht voor de geest te halen. Het lukt hem alleen in fragmenten: de wenkbrauwen bij een voorbijgangster, de ogen een paar dagen later bij een ander. Ons geheugen is selectief.

Verdwijnen

Vaak schemert Bernlef door in de personages, als een man die weliswaar al op leeftijd is, maar voor vrouwelijk schoon nooit ongevoelig is geworden. Amsterdam is meermaals het toneel van de vertellingen en je voelt de sluimerende angst van een man die bang is dat het op een keer allemaal over is, dat hij op oude roem teert, bang om vergane glorie te worden, maar de schrijver zelf verdwijnt in zijn tekst.

Zo hoort het, een tekst moet het autobiografische ontstijgen. Daarom spreekt Bernlef zo vaak over verdwijnen, het soort waarbij je niet hoeft te vluchten, anders dan in jezelf.

Uitgeverij Querido