De tijd zelf is het laatste, onafgemaakte literair-filosofische project van Harry Mulisch dat ambivalente gevoelens oproept.

Het zijn dezelfde ambivalente gevoelens als bij Vladimir Nabokovs Het origineel van Laura. Zowel De tijd zelf als Nabokovs postuum uitgebrachte roman bestaan uit denkfragmenten.

Zijn die laatste gedachten en overwegingen, afkomstig van de grote geesten, als manna voor een publiek dat geen afscheid van hen wil nemen? Of hadden de schrijvers liever hun ‘aantekeningen’ voltooid in een complete roman?

Lastig. Mulisch’ laatste project bevat een parel van een these die is vervat in een kort verhaal, waarin direct Mulisch’ signatuur doorgalmt als een bronzen klok.

Een man zou een tv-discussie aangaan over het heden dat niet bestaat, met een man die beweert dat het heden zeven seconden duurt. Man één verslaapt zich en het tv-debat gaat niet door. Einde.

Daar zit de ambivalentie. Hoe machtig zou het zijn geweest om die confetti aan Mulisch gedachten uitgeschreven te hebben gezien waardoor hij uiteindelijk tot die intrigerende these kwam. Waarbij hij, het genie, die these verder zou onderzoeken, toetsen, bedwingen, buigen en uitwerken in een uitwaaierende roman als herontdekking van de hemel, met het schrijven zelf als denkproces.

Dat stel je je erbij voor. Maar het zal niet zo zijn want Harry is niet meer. Hij heeft tot ons gesproken in tientallen boeken, dat moet genoeg zijn, zei hij zelf. Wie is groot genoeg het van hem over te nemen?