AMSTERDAM - De in Amsterdam woonachtige Vlaamse schrijver Ivo Victoria (1971) vertelt in een interview met NU.nl over zijn tweede roman Gelukkig zijn we machteloos.

Op een hete zomerdag geeft de mater familias Martha een tuinfeest. Zij wil oude tijden laten herleven en heeft de twee delen van haar familie bijeengebracht.

Zij zijn geslaagd in het leven, hun zorgen zijn afgedekt door een verscheidenheid aan verzekeringspolissen en door de jaar in jaar uit vertelde familieverhalen. Maar achter die façade liggen geheimen verborgen.

Ome Lex, het icoon van een zorgeloze jeugd, is ook uitgenodigd. Maar wanneer deze ‘nonkel’ verdwijnt met Billie, de veertienjarige dochter des huizes, worden de familieleden bruut tot elkaar veroordeeld. Hun schijnmanoeuvres blijken waardeloos. Billie en Ome Lex dwalen steeds verder door de eindeloze weilanden.

Het tweede boek, altijd lastig, vooral na een succesvol debuut?

“De onbevangenheid keert weliswaar nimmer weer, maar het was niet lastiger dan bij mijn debuut. Je bent je hoogstens beter bewust van wat je aan het doen bent en ik irriteerde me soms wat sneller aan mezelf dan voorheen.

Eigenlijk voelt het nieuwe boek als een debuut, omdat het vorige eigenlijk een afsluiting was van de jaren voordien en veel autobiografisch materiaal bevatte. Naar mijn gevoel ben ik blanco begonnen.”

Waar komt de beladen thematiek vandaan?

“Het boek gaat over angst en hoe angst werkt. Een zeer actueel thema. De manier waarop we op dramatische gebeurtenissen reageren. Zodra er een kinderverkrachter op een crèche in Amsterdam wordt gearresteerd, zijn de reacties een paar minuten later zichtbaar op Twitter of Facebook.”

En de reacties op de moderne schutting zijn zelden rationeel?

“Soms begrijpelijk, maar vaak ook dom. We jutten elkaar op die manier op en de angst neemt alleen maar toe. Je wordt er krampachtig van. Ik herken die reflex bij mijzelf soms ook, maar ik wil geen bange dochter en ik wil ook geen bange vader zijn.

Ik heb een jonge dochter en krijg er binnen twee weken nog eentje bij. In Gelukkig zijn we machteloos heb ik de ‘social media’ achterwege gelaten omdat het thema tijdloos is, maar internet maakt het wel meer dan ooit actureel.”

Ik heb Ome Lex opgevoerd om tegen deze krampachtigheid ten strijde te trekken, maar hij belandt zelf in een situatie waarin hij alle schijn tegen zich heeft en waarin hij rekening moet gaan houden met mechanismen die hij eigenlijk niet accepteert."

En aan de andere kant de familieleden die het samen moeten oplossen?

“In tijden van nood heb je altijd je familie nog. Is dat wel zo? Dat onderzoek ik ook in deze roman. Familieleden zijn niet noodzakelijkerwijs gelijkgestemden, zielsverwanten. Daarom heb ik naast het perspectief van Ome Lex en Martha ook een soort alwetende verteller opgevoerd die een helikopterperspectief heeft, als het ware voor de non-verbale communicatie tussen de familieleden.

Die familie-etiquette zegt veel over de onderlinge verhoudingen. Het is een middel om met elkaar om te kúnnen gaan. Niemand is zichzelf, maar het feest mag niet verstoord worden.”

Een Vlaming die al lang in Amsterdam woont, het levert een prettige taalmelange op.

“Het wordt steeds moeilijker om zelf vast te stellen waar mijn taal bijvoorbeeld verhollandst is. Ik heb bewust geen plaatsnaam gebruikt omdat het naar mijn idee niet ter zake doet.

De conversaties zijn min of meer in het Vlaams, het landschap zou net zo goed Zeeland kunnen zijn. Ik vind dat wel mooi, omdat het een afspiegeling van mijzelf is. Het gaat natuurlijk om de intermenselijke verhoudingen. “

Bij angst kun je het beste eenvoudige dingen gaan doen, opruimen, koken. Dat komt als een soort mantra in het boek voor.

“Dat staat heel dicht bij mijzelf. Toen ik eenentwintig was ben ik alleen in Antwerpen op een kamer gaan wonen. Mijn existentiële angst en verdriet heb ik toen leren bestrijden met eenvoudige zaken. Lekker koken, vroeg naar bed; goed voor jezelf zorgen.

En het werkt. Wanneer een voetballer uit vorm is dan zie je hem vaak krampachtig een hakje of een ingewikkelde dribbel proberen. Niet doen, gewoon de bal effectief doorgeven en als dat goed gaat, kan je voorzichtig weer aan iets moeilijkers gaan denken.”