Laroui tracht met deze bundel tragikomische verhalen over emigratie voorzichtig intermediair te spelen. Poldermarokkanen is een anekdotisch boekwerk.

Fouad Laroui, zelf geboren in Marokko en naar eigen zeggen volledig ingeburgerd, noemt de poldermarokkaan, of 'Marocanus polderiensis' een intrigerend dier. Net als Larouis eerdere werken is Poldermarokkanen in het Frans geschreven, de Nederlandse vertaling kwam donderdag uit.

Laroui woont al twintig jaar in Nederland. Hij zorgde voor een unicum toe twee van zijn boeken, een roman en een verhalenbundel, in 2010 tegelijk werden genomineerd voor de prix Goncourt.

Gelukkig heeft de schrijver van Poldermarokkanen geen sociologisch standaardwerk proberen te maken. Terecht merkt hij op dat de anekdote, als krachtige typering, overtuigender kan zijn.

Voor dit boek heeft Laroui een aantal jaren zijn ogen en oren goed open gehouden en aantekeningen gemaakt. Sommige van de sappige verhalen heeft hij zo vaak verteld dat hij niet meer weet of ze van vreemden zijn of van hemzelf.

Zelfspot

In zes hoofdstukken probeert Laroui, niet zonder zelfspot, om de rol van de allochtoon te duiden. Hij heeft het over geheimtaal die de jongeren spreken. De mengelmoes van Riftaal, Marokkaans dialect en Nederlands die de schrijver ook niet altijd begrijpt.

Laroui zoekt voorzichtig naar een ‘gebruiksaanwijzing’ en geeft ondertussen op speelse wijze een aantal mogelijke verklaringen voor typerend gedrag en voor de interculturele onlustgevoelens.

Waarom zetten jongeren van Marokkaanse origine meestal een grotere mond op wanneer ze overduidelijk niet gelijk hebben? Voelen ze zich paradoxaal genoeg soms goed in de slachtofferrol? Niet alles lijkt te verklaren uit het fameuze fatalisme van de oriëntalisten.

Eergevoel

Natuurlijk komt de dubbele nationaliteit aan de orde, de draaideurcriminelen, de invloed van de Marokkaanse jeugd op de mode, de rol van de media en het volgens Laroui vooral bij de poldermarokkaan extreem ontwikkelde eergevoel.

De schrijver heeft het gevoel dat de Nederlandse samenleving oplossingen probeert te bedenken voor het ‘Marokkaanse probleem’ zonder te weten wat dat precies inhoudt.

Laroui pretendeert ook niet de wijsheid in pacht te hebben. Toch zijn, dwars door de ironie heen, in het laatste hoofdstuk een aantal opmerkelijke suggesties te lezen.

Het is overduidelijk niet de bedoeling van de schrijver geweest om een doorwrochte Marokkanologie te schrijven. Laroui probeert het onverklaarbare te verklaren, of in elk geval een aanzet te geven tot de zo vaak geroemde dialoog.

Uitgeverij: De Geus
Vertaling: Frans van Woerden