Dat Grunberg een briljant schrijver is staat als een paal boven water. Dat hij ons in de keuze van zijn thema's vaak wil irriteren lijdt ook geen twijfel. En deze aflevering van de Grunberg-kronieken vormt daarop geen uitzondering.

Grunberg heeft in deze roman de gestalte aangenomen van Roland Oberstein, een universitair docent economie, die zich specialiseert op de economische bubbels en op het effect van de Holocaust (het zal niet!) op de economie.

Oberstein heeft weinig last van zijn problemen. Hij wisselt van vrouw, vriendin en minnares en komt daar prima mee weg. Hij emigreert noodgedwongen naar een beetje lullige universiteit in de V.S., maar als de moeder van zijn zoontje dat vraagt komt hij ook enkele maanden weer doceren in Leiden.

Onderzoek als houvast

Met de chaos die hem omringt kan hij uitstekend overweg, zolang hij maar de voorrang kan geven aan en de nadruk kan leggen op zijn onderzoek. Waar dat toe leidt, komen we op typisch Grunbergiaanse wijze ook niet te weten.

Hij is nu eenmaal een Grunberg-creatie, dus moet in zijn bestaan ook zijn ondergang schuilen. In zijn geval werkt hij daar hard aan door de rommeligheid rond zijn vrouw, vriendin, minnares en ogenschijnlijk verleidelijke studentes.

Aan de Amerikaanse universiteit wordt hij op typisch Amerikaans-hypocriete wijze buitenspel gezet. Hij verliest alles, maar noemt zichzelf "een overlevingsmachine". De hoop die hij toch nog uit zijn tenen weet te halen is gebaseerd op zijn plan om dan maar zijn 'standaardwerk' over de bubbel af te maken.

Schateren en ergeren

Het boek loopt over van de woord- en situatiegrappen en andere spitsvondigheden. Voor een feestavondje is het altijd aan te raden een paar citaten uit dit boek bij de hand te hebben.

Maar behalve verwennen moet de schrijver ook altijd treiteren. En op zeker moment heb je het dan ook helemaal gehad.