Een gojse conservator van een jiddisje bibliotheek in New York ontdekt het werkt van Itsik Malpesj, de grootste levende dichter. Twee verhaallijnen omspannen een eeuw geschiedenis en drie continenten in deze grote roman uit de serie groteverhalenvertellers.

Itsik Malpesj wordt in Kisjinev (hoofdstad van het huidige Moldavië) geboren, te midden van de Russische pogroms. Als de onhoudbare situatie het onmenselijke overstijgt , gaat hij naar Odessa en belandt hij in het circuit van joden waar hevig wordt gekibbeld over jiddisj en Hebreeuws.

Bij een ondergrondse jiddisje krant krijgt de jonge Itsik het drukkersvak onder de knie. Ondertussen polijst hij zijn taalkundige vaardigheid met gedichten, alle opgedragen aan de slagersdochter Sasja die hij alleen van een foto kent. Itsik is ervan overtuigd dat ze zijn basjert is, zijn voorbestemde geliefde.

Maar in Rusland wordt het voor de joden van kwaad tot erger (een situatie die de romanpersonage uit Jonathan Safran Foer’s Everything is illuminated de uitspraak ontlokte dat de joden het in Rusland zo zwaar hadden dat de komst van de nazi’s een verlichting betekende).

Velen vertrekken naar het beloofde land in het Midden-Oosten of naar Het Gouden Land, met name New York. Itsik wordt door zijn beschermheer gedrogeerd en in een koffer vol druklettertjes per boot naar New York gestuurd, waar hij te midden van jiddisje emigranten een nieuw bestaan zal opbouwen, voortdurend poëtisch geïnspireerd door zijn muze Sasja.

Tussenhoofdstukken

Itsiks levensverhaal wordt aangevuld met ‘woord van de vertaler’, tussenhoofdstukken van de conservator die zijn geschreven in de huidige tijd. Deze – Hebreeuwse – vertaler stuit op een dag op zijn eigen steen van Rosetta, zodat hij het jiddisje werk van Itsik kan ontcijferen en Manseau weer een nieuwe taalkundige laag aan de roman toevoegt.

Die tussenhoofdstukken zijn aanvankelijk semi-academisch van toon, maar vormen gaandeweg de basis voor de tweede verhaallijn, een die met Malpesj’ levensverhaal verweven raakt en zelfs een sturende factor wordt.

Ze voegen een extra dimensie toe aan de betekenis van de taal die met deze roman prachtig wordt uitgewerkt. Niet alle jiddisje termen zijn in het Engels om te zetten, en vice versa: er moet een tussenweg voor worden gevonden en zo toont Manseau ons hoe speels, vindingrijk en precies de vertaler met taal moet leren dansen op het ritme van de nuance.

Rijk

Bovenal is De bibliotheek van de onvervulde dromen een schitterend rijke roman over het volk van het boek: over joden en over joden in de diaspora. Een lofzang op hun taalkundige rijkdom, overlevingskunst en op hun variëteit die onlangs Howard Jacobson een Booker Prize opleverde met The Finkler Question, als de wijsgeer met dat spotzieke puntje op de i.

Manseau’s debuutroman is net zo indrukwekkend maar veel serieuzer van toon. Zijn decor is dan ook niet dat van een eeuw later, in de intellectuele kringen van het Engeland anno nu.

Het is het grimmige, wrede begin van de Russische pogroms en het harde immigrantenleven in New York en het Midden-Oosten begin vorige eeuw, waar joden zich met een doorzettingsvermogen die aan het ongelooflijke grenst omhoog hebben weten te werken.

Malpesh’ geschiedenis is verbazingwekkend, ontroerend en meeslepend: een grote roman uit de serie groteverhalenvertellers.