Vijf reizen maakte journalist Van der Aa door Libië: hij verwoordde zijn opgedane kennis over Libië in dit buitengewoon lezenswaardige boek.

In Libië ontkom je niet aan de beeltenis van Khadaffi die overal hangt. Het Libische staatshoofd noemt zich liever geen president maar ‘leider van de revolutie’, als verwijzing naar de manier waarop hij aan de macht is gekomen; ook ‘Broeder-leider’ is een gangbare, ‘gids’, of de uitsmijter ‘koning van traditionele Afrikaanse koningen’ – ter illustratie van zijn vurige wens om de überkoning van een Verenigd Afrikaans Continent te worden. Aan ijdeltuiterij geen gebrek.

Al is Khadaffi inmiddels wat gekalmeerd na decennia van (pogingen tot) verovering van Afrika, beruchte oppressie met martelingen en executies, en terreuraanslagen zoals bij Lockerbie; Libië is nog altijd een dictatuur.

Van der Aa kreeg verplicht een gids mee op zijn reizen, en bijna iedereen die hij spreekt kijkt drie keer over zijn schouder, dempt zijn stem tot een fluistertoon of praat liever niet.

Gastarbeiders

Libië heeft 6 miljoen inwoners en veel olie, dat zijn de 2 redenen waardoor het er nog enigszins toeven is. Libiërs zelf zijn geen harde werkers, maar ze kunnen zich gastarbeiders veroorloven om dat voor hun op te knappen.

Het binnenhalen van buitenlandse expertise wordt ook door de oliemiljarden mogelijk gemaakt, en zo kan Khadaffi megalomane projecten als de Great Man Made River ontplooien.

Great Man-dinges

Die Great Man-dinges is een van de resultaten van Khadaffi’s grillige ambitie en kortzichtigheid. Een peperduur en omvangrijk project om de woestijn te irrigeren, maar door de daaruit voortvloeiende daling van de waterspiegel sterven hele palmboombossen uit.

Bovendien is het project zó duur dat de geteelde producten tig keer kostbaarder zijn dan wanneer ze zouden zijn geïmporteerd, om maar enkele nadelen te noemen.

Het miskende genie

In Libië – en daarbuiten – is Khadaffi de enige die van zijn eigen genialiteit is overtuigd. Degenen die hem naar de mond praten hebben daar profijt van dankzij het tribale corrupte systeem, de rest van de bevolking maakt er het beste van.

Al investeert Khadaffi veel in buitenlandse ondernemingen daar een eigen economie niet van de grond komt, er zijn er niet veel die denken dat dit in algemeen Libisch belang is.

Rode draad

Van der Aa’s pogingen om Khadaffi zelf te interviewen en het fameuze Groene Boekje van de grote leider lopen als een rode draad door het boek. Een interview zit er niet in, maar net zo vruchteloos zijn de hervormingen uit dat opmerkelijk dunne groene boekje omdat Khadaffi zijn hervormingen weer net zo makkelijk ongedaan maakt. En meer dan eens is dat maar beter ook.

Caprices

In een heerlijk leesbare, vloeiende stijl biedt Van der Aa een portret van een land dat nog alle kanten opkan, net als Khadaffi’s caprices. Die zijn vaak zo uitzinnig dat hij wel een personage uit een zwarte komedie van de Coen Brothers lijkt.

Vooral zijn culturele roots-gedoe met overnachtingen in woestijntenten zijn bij het hilarische af. Waarbij ik nog graag wil opmerken dat de journalist geen persiflage op Libië heeft geschreven, maar neutraal verslag doet van zijn eigen ervaringen en informatie die hij van Libiërs weet te betrekken. Dat ze vaak grappig zijn, is niet zo bedoeld.

In het laatste hoofdstuk behandelt Van der Aa het gezin van Khadaffi met zijn 8 kinderen – wie o wie gaat er straks met de scepter zwaaien als de ’gids’ zelf het loodje legt.

Zolang de olie uit de grond blijft opborrelen zijn ook de opvolgingsperikelen nog wel te overzien, maar de voorraden zijn niet onuitputtelijk. En dan?